In het Shin-Boeddhisme is vanzelfsprekend Amida Buddha de “Gohonzon”, dit is het centraal object van eerbied en verering.
Rennyo Shōnen, de achtste abt van de Hongwanji (XVde eeuw), meende dat een geschilderde afbeelding van Amida te verkiezen is boven een beeldhouwwerk, en dat een hangrol (kakemono) met de 6 lettergrepen van de Naam (Na-mo 0-mi-to-Fo, Jap. Na-mu A-mi-da Butsu) te verkiezen is boven de geschilderde afbeelding van de Amida-figuur.
Deze graduering in de voorkeur kalligrafie-schildering-beeldhouwwerk vindt voorzeker haar oorzaak in de al te menselijke neiging Amida Buddha te beschouwen als een “concreet iets”, met een menselijke gedaante, een bepaalde vorm en fysische kenmerken, en bijgevolg erop te vertrouwen of erin te geloven als in een God of godheid in menselijke gedaante. Men mag immers veronderstellen dat voor een groot aantal volgelingen van de Jōdo Shinshū die geen religieuze ontwikkeling genoten hebben, Amida Buddha in de eerste plaats voorkomt als een persoonlijke redder-in-nood.
Ofschoon deze simplistische opvatting in strijd is met de filosofische inhoud van het Boeddhisme, vormt zij op zichzelf geen hindernis tegen de Absolute Overgave (shinjin). Er is dus geen reden om dergelijke opvatting en zeker niet de eenvoudige gelovige die ze aanhangt te veroordelen.
Toch is het om de sterkere abstrahering die uitgaat van de kalligrafische weergave van de Nembutsu, dat Rennyo Shōnin de zes Namu Amida Butsu ideogrammen verkoos boven de geschilderde en zeker boven de driedimensionele gebeeldhouwde afbeelding van de Boeddha.
De realiteit die schuilgaat achter de Absoluutheid die wij Amida Buddha noemen, reikt immers veel verder dan wat een welbepaalde vorm, tekening of reliëf ooit weergeven of in ons oproepen kan.
Dat verklaart meteen waarom in sommige intellectuele middens, waar belang gehecht wordt aan de filosofische structuur van het Boeddhisme en zeker in de confrontatie met andere denksystemen (Christendom, pragmatisme, Marxisme, e.d.m.), een steeds sterkere nadruk wordt gelegd op het gebruik van de “Zes Tekens” als centrale altaarfiguur. Dergelijk gebruik van de Nembutsu als Gohonzon gaat terug tot op Shinran Shōnin zelf, de stichter van de Jōdo Shinshū.
Toch is het begrijpelijk dat in de persoonlijke relatie tussen gelovige en Amida, deze laatste vermenselijkt wordt. Zo komt het dat het meest reële, het meest vatbare, nl. de sculptuur nog het vaakst in de functie van Gohonzon gebruikt wordt.
In de traditie van de Jōdo Shinshū is de afbeelding van Amida meestal een staande, licht vooroverneigende figuur, als symbolisering van het dynamische aspect van Wijsheid/mededogen en Nirvāna. Dit in tegenstelling tegen de zittende, mediterende Boeddhafiguren zoals ze algemeen bekend zijn en die statisch, als toestand van rust, dienen opgevat te worden.
De houding van de handen is ook merkwaardig. Haar benaming is “An-i-in Gebonjosho”, wat neerkomt op de intrede van de Boeddha in het bestaansniveau van de levende wezens met de bedoeling hun de Verlichting te verzekeren. Elke hand vertoont de “vitarka-mudra”: duim en wijsvinger hebben de toppen op elkaar, waardoor ze een cirkel vormen, het wiel van de vervolmaking: de Dharma van de Boeddha, volmaakt, zonder begin noch einde.
Beide handen vertonen dus dezelfde mudra, maar de rechterhand is daarbij opgestoken: dit symboliseert het streven naar de Verlichting. De gehele houding van deze hand stelt op deze wijze het nirvāna voor. Daarentegen hangt de linkerhand neer: zij stelt de lijdenswereld van het samsāra voor, waarbij alle wezens naar het licht van de Leer moeten gewenteld worden.
Tussen de ogen van Amida Boeddha, ziet men een vlek of uitsteeksel. Dat is de “Byakugo”, oorspronkelijk gezien als een bosje wit haar dat naar rechts opkrulde, één van de 32 merktekens van de Boeddha - volgens de oudste overleveringen. Later werd de Byakugo meer gezien als een lichtuitstralende vlek, symbool van het “derde” of geestelijk oog.
De Nikkei is de opzwelling boven op Amida’s hoofd, weer één van die legendarische 32 merktekens van het Boeddhaschap. Ze symboliseert de Wijsheid van de Boeddha en is trouwens een symbool dat men ook in andere godsdienstige tradities aantreft, vaak zelfs vergezeld van horens.
Achter Amida’s hoofd ziet men het aureool of “Kohai”. Normaal wordt verondersteld dat deze lichtkrans vanuit het oosten naar het westen gekomen is. Men heeft het aureool immers aangetroffen vanaf het begin van de christelijke tijdrekening in Voor-Azië, in Egypte en ook in Rome zelf, vanwaaruit de heerlijkheidslichtglans in het Christendom gekomen kan zijn.
In de Jōdo Shinshū traditie straalt zo’n Kohai bij Amida uit in 48 rondom divergerende lichtstralen vanuit een kring achter het hoofd. Deze 48 stralen symboliseren de 48 Geloften van Bodhisattva Dharmakara die ze alle volbracht en zo werd tot Boeddha van het Eindeloze Licht en van het Oneindige Leven, nl. datgene dat zowel de tijd (gemeten bij het leven) als de ruimte (gemeten bij het licht) transcendeert.
Daarbij staat het Amida-beeld boven op een gans open lotusbloem. Deze is beslist het meest gebruikte symbool in het Boeddhisme. Men verwarre echter de lotus niet met onze waterlelie, hoe mooi deze ook moge zijn! De lotus groeit liefst en best in modder en vuil; toch rijst de bloem smetteloos uit het slijkerige water van de plas op. De bladeren stoten, net als de veren van de eend, het water af. Om al die redenen geldt de lotus als symbool van reinheid en volmaaktheid, ongeroerd door het vuil en de modder die hem omringen en voeden.
Daarbij bevindt de vrucht van de lotus zich reeds midden in de bloem en ontwikkelt ze zich gelijktijdig met het bloeien van de plant; weer een symbool voor de Leer: reeds als de Dharma opengaat voor onze geest, bevindt meteen de vrucht van de Verlichting zich in ons gemoed.
|
|
|
|
|
|
Ekō 5 |
|
© 2003 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |