Zuiken Saizo Inagaki
1.
Een oude wijze heeft gezegd: “Laat de bloemen bloeien wanneer ze willen, laat
het gras groeien wanneer het wil. Dan zal uw geest rustig en vreedzaam zijn.
Zijt gij te zeer gebonden aan de huidige verschijnselen, dan zal uw geest
gestoord zijn.” Inzicht verwerven in de waarheid van de natuurlijkheid en van
de niet-ikheid is van het hoogste belang.
Maar helaas, alle mensen van dit tijdperk zijn gevangen en verstrikt in hun eigen driften en in hun eigen opvattingen, en zij zijn verstoord door het gras dat in de tuin groeit en door de bloesem die zojuist afgevallen is.
2.
Ze kunnen zich ook niet afzijdig houden van opvattingen zoals “Zijn” en “Niet-Zijn”.
De oceaan van hun geest blijft steeds woelig van de golven der begoocheling, -
zelfs voor één ogenblik blijft hij niet rustig. Zij lijden onder hun werelds leed,
omdat ze niet los geraken uit hun gewaarwordingen van “liefde en haat” voor al
wat hun dierbaar is.
3.
De Geestesnatuur is rein, maar er is in dit tijdperk geen enkel oprecht mens,
neen, geen enkel. Maar wanneer we de stem van de Boeddha horen in de “Namu
Amida Butsu”, dan kunnen we ons ter ruste leggen in Zijn Groot Mededogen,
ondanks onze diepe zondigheid. Wanneer we ons vertrouwen stellen in Zijn Grote
Gelofte-Kracht, dan mogen we gerust zijn, hoe wild en woest de “Vuurrivier”
(boosheid) en de “Waterrivier” (hebzucht) ook mogen razen.
4.
Als we onze ogen opentrekken, zal de stroom van het bewustzijn, zonder ook maar
één ogenblikje stil te staan, vertroebeld worden. Als we het hoofd oprichten om
te horen, zullen de gevoelens van “liefde en haat” onvermijdelijk opspringen.
5.
Maar ondanks het feit dat we steeds maar vertroebeld worden door die passies
van “liefde en haat”, kunnen we toch geboren worden in Zijn Vreugdeland, uit de
schipbreuk gered worden aan boord van het “Schip der Gelofte-Kracht”.
6.
In de wereld van de dagelijkse ervaringen van het menselijke leven, onderworpen
aan liefde en haat, instemming en afwijzing, zijn al onze handelingen, of ze
geestelijk of lichamelijk zijn, slechts het produkt van verkeerde instellingen
en van zelfzucht.
7.
Onze wil is van ons, maar de Ware Overgave staat niet onder het commando van
onze wil. Hoe kunnen we dan die Ware Overgave verkrijgen? Hoe kunnen we verlost
worden? Wanneer het antwoord op die vragen louter vanuit een intellectueel
standpunt gegeven wordt, kan het nooit bevredigend zijn. De Overgave is een
gave; daarom spreken de Schriften van de “onverwoordbare, onuitsprekelijke,
ondenkbare Overgave”.
8.
Zij die afhangen van hun eigen kennis van de doctrines, zullen in de hel
vallen. Zij die zich als gekken gedragen, de doctrines ter zijde schuiven, ook
zij zullen in de hel vallen. Laat ze het goede doen maar als ze er trots op
gaan, dan kunnen ze het Reine Land niet binnentreden. Laat ze het kwade doen;
door de Wet der Oorzakelijkheid kunnen ze natuurlijk de hel niet ontlopen,
tenzij ze zich bezinnen en toevlucht vinden in Zijn Gelofte-Kracht.
9.
Wij kunnen niet verlost worden door onze eigen opvattingen noch door ons eigen
verstand. Wij kunnen enkel verlost worden en het Reine Land binnentreden
doorheen Zijn Gelofte-Kracht.
10.
Daarom spreken de Schriften van “de Natuurlijkheid van de Gelofte-Kracht”, of
van “de Ondenkbare Grote Gelofte” of van “Niet-Redelijk is Redelijk”.
Inderdaad de verlossing is niets anders dan de werkzaamheid van Zijn “Wijsheid-en-Mededogen”, die gemanifesteerd is in de Gelofte-Kracht en die belichaamd is in de Heilige Naam, - hoe irrationeel, onlogisch en onredelijk dit ook mag schijnen.
11.
De bloemen zijn bloemen zoals ze altijd zijn. De maan is de maan zoals die
sedert onheuglijke tijden op de aarde schijnt. Alle dingen in de natuur zijn
mooi wanneer ze zonder zelfzucht bekeken worden. Maar helaas! Ze worden
verstrengeld en verdorven, verschillend van hetgeen ze in werkelijkheid zijn
als men ze bekijkt doorheen de gekleurde bril van de menselijke zelfzucht, zelf-genoegzaamheid
en egocentrische opvattingen. Daarom kan men waarlijk zeggen dat de dingen die
we zien, enkel de objecten van onze hebzucht en hatelijkheid zijn.
12.
Dat leidt ons tot de conclusie dat wij, bombu , sombere zondaars die er maar
niet in slagen die gekleurde brilleglazen af te gooien, veroordeeld zijn om te
zwerven van boze wereld naar boze wereld om er leed na leed te ervaren.
13.
In deze begoochelingswereld, is er een Waarheid, de énige, die afzijdig staat
van alle illusies. Dat is het woord van de Verhevene, de Volkomen Verlichte, en
zijn meedogende, unieke en ondenkbare Gelofte.
14.
De woorden van de Boeddha gaan het begrijpen te buiten; dat belet echter niet
dat ze waar zijn. Ze zijn te diepzinnig; wij bombu zijn niet bij machte ze
volkomen te verstaan; maar ze zijn als de schatkamer van Zijn wijsheid.
15.
Amida’s Gelofte is ondenkbaar; ze is noch in het verleden noch in het heden
gehoord geworden in alle religies ter wereld, vaak zelfs niet in de lering van
andere Boeddha’s. Zijn werkzaamheid heeft geen gelijke.
Wij kunnen bevrijd worden van het lijden van geboorte-en-dood enkel door zijn Gelofte-Kracht te horen.
16.
Wie zijn diegenen die Zijn Gelofte-Kracht van transcendentale Wijsheid horen?
Hebben zij uit zichzelf de kracht te horen? Hebben zij uit zichzelf de kracht
te vertrouwen? We hebben die kracht niet, noch om te horen noch om te
vertrouwen, en toch hebben wij de vreugde te horen en te vertrouwen. Groot is
onze vreugde zijn Wonderbare Gelofte als Wonderbaar te ervaren. Deze grote
overgave is niets anders dan de gave van zijn Mededogen.
17.
Zelfs midden in de modder van hebzucht, nijd en egoïsme kan de bloem der
Overgave, in de verzekering van geboorte in het Reine Land, bloeien. Dat is de
genadige gift van de lente van zijn werkzame onbegrijpelijke Wijsheid.
18.
Onophoudelijk kunnen we Zijn dierbare stem horen! De stem van Mededogen en
Wijsheid! Verwijder dus die onnutte geestesconstructies; wees bevrijd van dwaze
discriminaties. Het is enkel door het vermogen van Zijn roep dat wij gered worden.
Zelfs wij die onwetend en zondig zijn kunnen in het Reine Land verlicht worden.
19.
De roep van onze vader volgend, keren wij naar Zijn huis terug. Daaraan
denkend, worden we vervuld van vreugde en worden onze voeten weer licht. Hoewel
onze lijven nog bevlekt zijn van hun begeertes, toch rusten onze harten in het Reine
Land. Laat de stormen maar opsteken en woeden!
20.
De stormen van verdriet houden niet lang stand. Ze woeden net de tijd die we in
deze wereld doorbrengen. Laat ze dan maar komen, de “Zeven lijdensvormen”, laat
ze maar komen, de “Acht Smarten”, als ze toch moeten komen! Wij zijn beschermd
door Namu Amida Butsu.
21. Zijn Gelofte-Kracht is zo sterk dat ze mij ertoe brengt geloof en vertrouwen in mijn zelf-kracht op te geven en meteen ben ik ook bevrijd van mijn angst in de hel te vervallen. Door “goed en kwaad” van mij af te werpen, ben ik eindelijk dom genoeg geworden.
22.
De trots die ik had een heleboel dingen correct gehoord te hebben en het bedrog
dat ik een massa weten vergaard had, zijn nu van mij afgenomen door mijn ware
Vader. Nu ben ik bloot en naakt, arm en onwetend.
23.
Nu sta ik, een kind gelijk, dwaas, een hoopje modder, vóór mijn Vader.
24.
Na al dat weten dat ik in lange jaren vergaard had af te werpen, ben ik naar de
kindertuin teruggekeerd. En hierna zal ik ook een klein kind blijven, hoe lang
ik ook nog in deze wereld vertoef.
25.
Tot op het allerlaatste ogenblik van de dood zal ik een kind blijven, alsof ik
nooit iets geleerd of gehoord had, en toch plots volkomen verlicht worden in de
Burcht van het Nirvana. Waarlijk, Zijn Gelofte-Kracht is wonderlijk en
ondenkbaar!
Wat ben ik blij! Wat ben ik blij!
26.
De Oceaan van Mededogen-en-Wijsheid is onbegrensd en bodemloos. Het Bestaan van
Vader is mijn leven; Zijn Wijsheid-en-Mededogen is mijn verblijfplaats: daarin
geniet ik de stilte van het gemoed.
27.
Vader, jij bent uit Hoge Wijsheid en Groot Mededogen, edel en verheven; verder
dan elk denken en uitdrukken! Ik zing je eer, ik roep je Naam.
28.
Jij Gelofte-Kracht, vervuld van Wijsheid en Mededogen! Je Naam, Namu Amida
Butsu, de belichaming van de mededogende geesteskracht!
Boeddha van de Allerhoogste Wijsheid! Jij legde de Gelofte af: “Als ik niet alle wezens bevrijd, moge ik dan nooit de Volkomen Verlichting verwerven”!
Je grote Stem! Ze weerklinkt over alle werelden: “Nooit zal ik je in de steek laten!”
29.
Met de vreselijke kracht van een leeuw die andere dieren bespringt, ben jij op
mij gesprongen en je hebt mij, een boze in illusie gehulde man, vastgegrepen.
Door Zijn leeuwengebrul overmeesterd, werden mijn twijfels en misvattingen op
de vlucht gedreven.
30.
Hoe wonderlijk is Zijn leeuwesprong! Hoe wonderlijk is Zijn Wijsheid! Sakyamuni
Buddha’s Onderricht in deze wereld en Amida Buddha’s Roep vanuit het Reine Land
zijn het leeuwengebrul van Zijn Gelofte-Kracht.
Kijk! Daar is de Maan van de Gelofte-Kracht! Ze straalt helder en rein in de open lucht. Wonderbaar en almachtig is Zijn Volkomen Wijsheid!
31.
Zoals een leeuw, wonderlijk, miraculeus: zo is Boeddha’s Kracht voorbij al het
denken, verder dan alle geestesopvattingen. Dit is de Kracht van het Mededogen,
de Kracht van de Wijsheid, de Kracht van de Gelofte, de Kracht boze geesten te
onderwerpen, de Kracht van Samādhi, de Kracht verdorvenheid te
verpletteren en de Kracht alle wezens te omsluiten.
32.
Onze Vader is de Heer van Wijsheid en Mededogen. Hij openbaart zichzelf als de
“Boeddha van het licht zonder Hindernis” en Hij verdrijft het duister der
onwetendheid.
Hoe betrouwbaar is Zijn onbegrijpelijke
Wijsheid!
Hoe vertrouwbaar is Zijn intuïtieve Weten!
Jij bent mijn toevlucht; jij bent mijn Vader.
Namu Amida Butsu
Namu Amida Butsu
|
|
|
|
|
|
Ekō 13 |
|
|
|
|
|
|
De Oceaan Van De Grote Overgave |
|
© 2003 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |