Notes on “Essentials of Faith Alone” - A Translation of Shinrans Yuoshinshō-mon’i, Shin Buddhism Translation Series - Hongwanji International Center - Kyoto 1979 (paperback 127 p.)
Notes on Once-calling and Many-calling – A Translation of Shinrans Ichinen-tanen-mon’i, Shin Buddhism Translation Series - Hongwanji International Center - Kyoto 1980 (paperback 106 p.)
In dezelfde reeks waarin “Letters of Shinran” verscheen (1978), werden door de vertaalstaf van het Hongwanji International Center twee andere doctrinaal erg belangrijke werken van Shinran Shōnin in Engelse vertaling uitgebracht.
Onze lezers weten dat de Kyōgyōshinshō, Shinrans hoofdwerk, de (zeer lijvige) fundering en verantwoording van zijn denken en interpreteren is; ze weten ook dat de Wasan, ‘Hymnen in het Japans’, de populaire verwoording van zijn onderricht zijn. Maar Shinrans bibliografie omvat ook een reeks kleinere werken die gecentreerd zijn rondom een bepaald probleem. Beide nieuwe publicaties zijn mon’i, dit zijn ‘aantekeningen’ op werken van tijdgenoten.
Zo kan de Yuishinshō-mon’i terecht beschouwd worden als Shinrans ‘close-reading’ commentaar op de belangrijkste citaten die voorkomen in de Yuishinshō (‘Fundamenten van Enkel-Vertrouwen’), geschreven door Seikaku, een discipel van Hōnen en tijdgenoot van Shinran. Seikaku’s werkje benadert van zeer nabij de centrale punten van de Reine-Land-lering; maar voor Shinran was het de gelegenheid nog dieper in het filosofische hart van Hōnens onderricht te dringen en dit meteen ook te verhelderen. Hoofdthema is eigenlijk de interne betekenis van het doel van het Boeddhisme: wat het inhoudt het Boeddhaschap te verwezenlijken, en hoe deze verwezenlijking mogelijk is.
Het is bijgevolg aan de hand van Seikaku’s tekst over schijnbare tegenstellingen in de Nembutsu-praktijk, dat Shinran uiteenzet hoe shinjin (het voorwaardeloze ware vertrouwen, de diepe overgave) oprijst vanuit de werkzaamheid van Amida, de Oneindige Boeddha, als dynamische manifestering van het heil voor alle wezens. Voor Shinran is shinjin de verzekering van de geboorte in het Reine Land en bijgevolg meteen ook de ‘verwezenlijking van de geboorte’, een wezensreoriëntering die plaats grijpt in het ‘onmiddellijk tegenwoordige’. De mens met shinjin realiseert het absolute Boeddhaschap bij de dood; dit Boeddhaschap is uitdrukbaar als het ‘grote mededogen dat zich in hem vervult, waardoor hij a.h.w. terugkeert naar de oceaan van leven-en-dood om alle wezens te verlossen’.
Deze op het eerste gezicht misschien onthutsende denkwijze is evenwel niets anders dan de diepere uitdrukking van de doctrinale kern van het Mahāyāna, - zoals die niet enkel gestalte gekregen heeft in de Reine-Landscholen, maar aanwezig is in alle grote Mahāyāna denkrichtingen: Avatamsaka, Madhyamika, Lankavatara, Vimalakirtinirdesa, enz. alle grote sūtra’s en sastra’s: het nirvāna wordt er niet gezien als een transcendentale toestand essentieel verschillend van samsāra, maar als de ware en natuurlijke basis van al het bestaande en waarin ‘de Verlichting verwezenlijken’ niets anders is dan de ‘terugkeer’ naar de wereld van geboorte en dood.
Naast een uitgebreide inleiding, bevat dit werk het eigenlijke commentaar door Shinran, de tekst van Seikaku en talrijke nota’s.
Een punt van betwisting binnenin de traditionele Reine-Land-scholen, en zeker in Hōnens onmiddellijke aanhang, betreft de Nembutsu: moet men zoveel mogelijk de nembutsu reciteren of is één nembutsu determinerend?
In dit verband had Ryūkan (1148-1227) een reeks citaten wijzend op beide opvattingen opgesteld, samen met een commentaar dat uitmondt op de vaststelling dat er geen interne tegenstrijdigheid bestaat tussen de opvatting van ‘veel-nembutsu’s’ en die van de ’éne nembutsu’. In zijn aantekeningen, heeft Shinran bij Ryukans citaten er nog belangrijke andere bijgevoegd om dieper op die controverse in te gaan; hij heeft hiermee het debat verwijd en belicht vanuit het standpunt van de Oorspronkelijke Gelofte en van de Ander-Kracht. Volgens hem is shinjin immers geen houding gegrond in het gemoed van degene die de nembutsu beoefent, maar ontstaat het spontaan en natuurlijk bij het ontwaken tot het ‘grote mededogen’ dat hem naar het Boeddhaschap voert in de staat waarin hij zich bevindt, zijn ‘natuurlijke staat’ jinen-hōni (in Zen-terminologie “met het gezicht dat hij vóór zijn geboorte had”). Aangezien shinjin een gebeurtenis is die plaats heeft in het onmiddellijke tegenwoordige (de tijd op zijn allerlaatste grens), vervallen de tegenstrijdigheden tussen de herhaling van de reciet-nembutsu in de samsārische tijd, en de één-heid van de shinjin-nembutsu gezien in het nirvānisch tijdloze.
Ook hier treft de zeer gefouilleerde inleiding, gevolgd door Shinran’s aantekeningen, Ryukans tekst, het geheel aangevuld met liefst 46 pagina’s nota’s en verwijzingen: bijna de helft van het boek.
Het niveau van deze beide uitgaven ligt zeer hoog en het is zeker geen ‘gemakkelijke’ lectuur. Een volledig verwerken van deze boekjes vereist alleszins een goede vertrouwdheid met de fundamenten van de Mahāyāna-filosofie (o.a. de non-discriminatie naar Nāgārjuna of de interpenetratie van de Kegon-school). Toch geven deze twee “Notes” op zichzelf een duidelijk inzicht op het shinjin-denken van Shinran Shōnin en op zijn verhouding t.o.v. de meer traditionele Reine-Land leringen.
|
|
|
|
|
|
Ekō 14 |
|
© 2003 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |