De Goden Van Het Oosten

door Frans Boenders en Freddy Coppens - Een (lange en harde) boekbespreking

(Uitg. Heideland-Orbis N.V., Hasselt, geb., 160 pag. 22 x 28 cm, met talrijke originele foto’s, 950 F)

 

Een beslist fraaie uitgave, fijn verzorgd en geïllustreerd met honderden foto’s die bewijzen dat F. Coppens niet enkel zijn vak onder de knie heeft, maar ook oog heeft voor het bijzondere en het originele. Echt: niets dan lof voor de fotograaf.

Voor de tekst heeft Frans Boenders ingestaan. Auteur en titel van het boek “De Goden uit het Oosten” verwijzen onherroepelijk naar een serie radio programma’s (BRT 3), maar vooral naar een reeks tv-uitzendingen, die trouwens bekroond werd met de door professionelen zo begeerde URTI-prijs. Toen deze reeks in het begin van het jaar geprogrammeerd is geworden, hebben wij er uit kuisheid niet over gesproken. Technisch èn esthetisch waren de TV-Goden uit het Oosten uitblinkers. Te veel zelfs, vermits de inhoud zonder discussie aan de vorm opgeofferd werd. Hindoeïsme, Theravada en Japans Boeddhisme zijn er nog redelijk goed uitgekomen, maar bij de behandeling van het Tibetaans Boeddhisme en van het Taoïsme werd er klakkeloos aan de inhoud voorbijgegaan om alles te zetten op het ‘mooie prentje’. De URTI-prijs was dus beslist verdiend, maar de belangstellende tv-kijker werd in de kou gezet.

Het boek staat echter in een zeer los verband t.o.v. radio- of tv-uitzendingen. Tekstverantwoordelijke Frans Boenders, die toch algemeen bekend staat (en terecht) als één van onze meest ‘open’ radio-tv-journalisten) noemt zijn boek een “verzameling essays” zonder aanspraak op een onmogelijke objectiviteit noch op een wetenschappelijke volledigheid.

Dat stemt de lezer ab initio gunstig tegenover dit boek-initiatief. De uit gesproken bedoeling is immers het Oosterse religieuze beleven dichter bij onze traditionele Westerse denkschema’s te brengen. Dat verklaart b.v. waarom het 2de hoofdstuk volledig gewijd is aan culturele contacten, confrontaties en vergelijkingen tussen Oost en West.

Wat niet belet heeft dat ditzelfde 2de hoofdstuk uiteindelijk resulteert in een naast- en onder elkaar schikken van citaten, met de slotindruk dat de auteur blijkbaar wèl heel wat boeken over zijn onderwerp geraadpleegd heeft, maar zelf geen conclusie kan of wil of durft trekken. En het over-all beeld is dat hij zelf niet goed weet waar hij aan toe is en tot verwarring zijn toevlucht genomen heeft.

Ook bij de lectuur van de volgende hoofdstukken geraakt men dat gevoel van verward-zijn niet kwijt. En soms is die verwarring, zeker bij sommige passages, nog het minste kwaad. Of een eufemisme. Men krijgt al lezend sterker en sterker de onaangename impressie dat de auteur allerlei bronnen bijeengebracht en gefragmenteerd heeft; zonder interne kritiek werden dan de knipsels na elkaar opgenomen. Dat bewijst de spirituele Oost/West-relatie geen beste dienst…

Dat valt al onmiddellijk op bij de spelling: wispelturig, systeemloos, soms gefantaseerd. Over het translitereren van Sanskriet of Chinees heeft Boenders goed cursiveren dat there is a method in this madness (p. 155), maar welke method, welke madness zet hem toch aan het aan Lao-tse toegeschreven werk achtereenvolgens Tao te jing, Tau-te-tsing of Dao de jing te heten?

Met dergelijke onnauwkeurigheden staat het gehele boek vol. De monniken op Sri Lanka heten bhikku of bhiksu: zelf gebruiken ze het Pali-woord bhikkhu en in het Sanskriet heet het bhikshu. We hebben over het gehele boek zo’n lange lange lijst ‘schrijffouten’ opgemaakt, maar die bladzijden zullen we onze lezers liefst besparen uit angst echt wijsneuzig te worden. Want bijna op elke pagina zijn er ergere fouten van andere aard. Met koppigheid wil de auteur het hele Boeddhisme laten doorgaan als een “ethisch systeem”, daar waar het een heilsleer is. Het Therāvāda (sic voor Theravāda) stelt hij voorals de oudste en meest oorspronkelijke leer van de Boeddha, een standpunt dat sedert minstens een halve eeuw al achterhaald is. Boenders schrijft dat Boeddha’s leerlingen uitsluitend mannen waren: dan heeft hij de teksten niet gelezen, noch over koningin Vaidehi noch over de prostituee Ambapali noch over Gautami noch over het geheel van de nonnenorde (één van de mooiste boeken van de Pali-kanon is gewijd aan Gezangen der Nonnen).

Op pag. 100 wordt een monnik uit Sri Lanka het volgende in de mond gelegd: Meditatie heeft niets met gevoelens te maken, maar alles met verstand. Om van je stoel te vallen, maar als je in gedachte probeert via stuntelig Engels naar het Pali te gaan, wordt het wel duidelijk, dat ‘gevoelens’ wijst op ‘gevoelerigheid’ (sentimentality) en verstand op het geheel van de psychisch-mentale functies (mind). Mis-verstaan of mis-vertalen… maar de auteur had dergelijk gezegde wel even kritisch moeten toetsen.

Even kritiekloos is het citeren. Op p. 103 vermeldt de auteur de beroemde tekst uit Udana VIII over het nirvana, maar tussen dezelfde aanhalingstekens en als gold het dezelfde tekst, plakt hij daaraan een uit zijn verband gerukte zin uit Anguttara-Nikaya die in zijn nieuwe context en met verwrongen vertaling geeft: het nirvana is een zaligheid die niet als zaligheid wordt ervaren (de originele betekenis komt hierop neer: nirvana is een zaligheid die echter geen zaligheid in de waarneming, als één van de 5 bestaansgroeperingen, is).

Beslist ergerlijk is het extrapoleren en veralgemenen. Op p. 110 en volgende wordt geheel de Mahayana over een Nepal-kam geschoren. Nepal is een klein gebied waarin het populaire Boeddhisme nauw versmolten is met de Hindoeïstische volksdevotie. Hoe zwak de informatie van de auteur op dit vlak is, blijkt b.v. uit zijn behandeling van de Tibetaanse dodenceremonie, en net als in de film, mist hij de gelegenheid om te wijzen op de diepere inhoud van ceremonie èn Dodenboek. Bij de oppervlakte blijvend, zegt hij dat de lama’s goden oproepen en voor ze offers in het vuur gooien. Dan wanneer hij toch zou kunnen onderstrepen dat die schare vreedzame en vreesaanjagende godheden niets anders zijn dan je eigen gedachten. Men had mogen verwachten dat Boenders hier toch een onderscheid zou maken tussen folklore en religie.

De invloed van het Boeddhisme op de Chinese mentaliteit wordt verwrongen waar de auteur stelt dat met de vertaling van de Mahāyāna-sūtra’s voor de praktisch georiënteerde Chinezen een onvermoed verbeeldingsrijke wereld open (ging) van hemelen en hellen, mythen en filosofieën. Alsof die Chinezen al niet eeuwen lang aan dergelijke wereld gewend waren: kijk maar naar de Shang-bronzen, de recent opgegraven monumenten van de Chou, Ch’in en Han dynastieën, of naar de Taoïstische goden- en geesteswereld.

In de Chinese Volksrepubliek werd de BRT-ploeg blijkbaar goed ontvangen en het Boeddhisme aldaar wordt dan ook doorheen een roze bril bekeken. En nergens wordt er melding gemaakt van de zowat ‘n slordige 30 à 40 MILJOEN Chinese Boeddhisten die tussen 1950 en 1976 ‘spoorloos’ zijn…

Op pag.123 zegt Boenders Dat het taoïsme ook vandaag nog in de Volksrepubliek leeft, is een verheugend feit. Toen was hij al vergeten dat hij 4 bladzijden daarvoor geschreven had dat de taoïstische volksreligie in de Volksrepubliek nagenoeg verdwenen is.

Ten behoeve van geïnteresseerde lezers, voegt F. Boenders een “Selectieve bibliografie” bij zijn tekst. Daarin ontbreken belangrijke, zeer belangrijke en lezenswaardige namen, zowel ‘academisch’ als ‘vulgariserend’ getint: Conze, David-Neel (hoe is het mogelijk!), Ling, McGovern, Suzuki (ja: D. T. Suzuki ontbreekt!), Tucci, Takakusu…  Nederlandstalige auteurs zijn er zo mogelijk nog slechter aan toe. Ik wil aannemen dat sommige van ze niet 100 % zijn, maar dat een Ensinck of Fortmann geen vermelding waard zijn is mij een ontstelling. O.K. Boenders citeert royaal ons aller Gonda, teveel Gonda, want, met alle respect voor de man en voor de geleerde, Gonda is voor een groot deel hopeloos voorbijgestreefd. Wat niet verouderd is, dat zijn de publicatiedatums, vermits bibliograaf steeds de meest recente uitgave vermeldt. Een Rhys-Davids die in 1923 op hoge leeftijd overleed, prijkt met een 1969, zoals Lafcadio Hearn met 1959, Legge met 1971… En waarom wordt Zen niet bij het Boeddhisme gerekend?

Moge Frans Boenders mij deze afslachting vergeven. Maar mijn slotindruk over de Goden van het Oosten is gewoon catastrofaal. Hoe is het mogelijk dat een geschoold, belezen man, die alle nodige kontakten heeft en over alle mogelijke informatiebronnen kan beschikken…

Als het ooit komt tot een tweede uitgave, zou de auteur moeten denken aan een grondige revisie van zijn tekst. Anders blijven we maar de mooie prentjes bekijken en betreuren we dat er niet meer zijn. En anders zullen de toornige goden uit Tibet nog wat toorniger worden en zal de glimlach van de Boeddha nog steeds die glimlach blijven, ook al wordt hij gedegradeerd tot een “God uit het Oosten”.

Sh. Shitoku A. Peel

Ekō 16

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

            home