Echt waar, ‘t is de eerste maal dat EKŌ te laat verschijnt. Wel ‘n goeie maand na de vooropgestelde datum.
Normaliter zouden we dat ontzettend gevonden hebben. Wat natuurlijk verkeerd is, want zelfs heel wat grotere en beter verspreide tijdschriften durven zich tegenwoordig ten opzichte van de kalender gedragen als echte ontijd-schriften.
De oorzaak van ekootjes vertraging moet niet ver gezocht worden: bijna geheel september zat Shitoku aan de andere kant van onze niet zo bijster goed rondtollende aardbol. De aandachtige lezer vindt hierna wel het verslag over de I.A.S.B.S. Conferentie te Kyoto. En daar zat Ekō dan natuurlijk mee aan de Japanse praattafel.
En toen die Conferentie afgelopen was, trok Shitoku op preektoer, eerst doorheen het zuidelijke Kyushu, met zijn koraalstranden en zijn vulkaantoppen, dan terug naar de westkust van Honshu.
Jammer genoeg (in zekere zin althans) dat Shitoku in deze mooie streken geen echte sightseeing kon doen. De tijd was Japans strikt uitgemeten. Op het toespraakje in de kleuterklas volgt de les aan de lagere school, dan een voordracht voor de leerlingen van de middenschool. Na het middaguur wordt dan gesproken voor de monto’s, de leken-aanhangers, die er graag enkele uren voor over hebben eerst de eredienst, dan de spreekbeurt en dan de lange serie vragen en antwoorden, waarmee dan het beste stuk van de namiddag in beslag genomen wordt. Tenzij dat de monto’s liever om 7 uur ‘s ochtends bijeenkomen…
Hoe druk die dagen eigenlijk ook waren, ze waren alle “reuze”. Tja, de mooie landschappen hebben we gemist, de watervallen, het vlotvaren op stortbeken. Ons zwembroekje kwam nooit op het strand, de zee was geen duik-in.
In ruil daarvoor hebben we in Japan eens te meer dat ware, directe, eenvoudige nembutsu-leven ontmoet; zo ver verwijderd van schril uitgedoste “geisha’s” die de slechte smaak van de toeristen en zakenlui moeten opvangen, ver ook van de drukte van Tokyo’s ondergrondse, ver van de “See Kyoto Cars” vanwaaruit zoveel journalisten, toeristen en tv-spelletjeskopers hun keiharde opinie over Japan vormen.
In dat andere Japan, dat we maar ‘nembutsu-Japan’ zullen noemen, ervoeren we eens te meer wat i-gyō, de eenvoudige praktijk, betekent in het dagelijkse leven. Hier zijn we ver van het ansichtkaarten-Japan; hier treffen we de mens van wie je vergeet dat-ie eigenlijk ‘n Jap is.
Hier wil ik even een anekdote kwijt. In Jenkyo-ji tempel te Fukue was het die namiddag ontzettend heet; in dikke druppels parelde het zweet op mijn gezicht; waterbeekjes liepen langs neus en kin en drupten op mijn zwarte toog en op de katheder. Maar ik vond dat het onbetamelijk zou zijn tijdens een sermoen vanonder mijn fuho (het zwarte priesterkleed) een zakdoek uit te graven. Dat zou, dacht ik, zeker in strijd zijn met die strenge etiquette die je zelfs verbied in gezelschap je neus te snuiten. Zoiets als bij ons, het opslurpen van soep uit de lepel, wat in Japan dan weer wèl mag.
Dus liet ik die transpiratiestroompjes maar vlieten. Na afloop van het sermoen (daar erg sympathiek vertaald door Prof. Yamasaki) kon ik in de rust van koelere tempelkamers onbezorgd mijn zakdoek hanteren. Daarmee was ik net klaar of een goede man uit het publiek kwam me een geschenk aanbieden: vier gloednieuwe zakdoeken die hij gauwgauw was gaan kopen, want hij vreesde dat ik mijn zakdoek kwijt kon zijn of dat ik ‘m in België vergeten had. En of ik zijn belachelijk geschenkje wel zou willen aannemen, want het was toch zo warm…
Zo solidair, zo warm, zo hartelijk is dat Japan van de nembutsu-lui. De monto’s (lekenvolgelingen) zijn simpele, hartelijke mensen, of ze nu universiteitsprofessoren, winkeliers, vissers zijn. Er zullen wel uitzonderlingen onder ze zijn, maar meestal zijn het gulle, lachende mensen, die van het leven houden, met diepe emoties en een openstaand hart. Wat zijn we hier ver van die kostelijk vreselijke samoerai’s die prenten als ‘Shogun’ ons voorgespiegeld hebben.
Merkwaardig is ook dat juist in die streken van Japan waar Jōdo-Shinshū een vooraanstaande plaats inneemt in het religieuze leven, de misdadigheid toevallig het laagst ligt. En Japan heeft dan al zo’n benijdenswaardig criminaliteitscijfer!
Die vaststelling is natuurlijk niet voldoende om een verband van oorzaak en gevolg te leggen… maar toch!
En zo, in plaats van Ekō publicatieklaar te stomen, trok Shitoku van tempel tot tempel, van Nagasaki tot Toyama en Nara, per vliegtuig, per trein of in de wagen. En dus komt Ekō nu wel een stukje later.
Maar dat biedt ons de gelegenheid één en ander over de nembutsu-volgelingen in Japan te vertellen. En om nogmaals dat overkokende gevoel van dankbaarheid uit te drukken, voor al die echt menselijke vormen van Amida’s Mededogen en Gelofte-Kracht.
Daarom, lezer, vergeef Ekō zijn maandje Japan-respijt.
Dank daarvoor en
Namu Amida Butsu
Namu Amida Butsu
Namu Amida Butsu
|
|
|
|
|
|
Ekō 23 |
|
© 2003 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |