Ons Dagelijkse Lijden

(voor een vriend in het ongeluk)

Je hebt goed ‘n goed boeddhist te zijn en pertinent te weten dat onze existentie diep getekend is door lijden, vergankelijkheid en niet-ikheid, zolang die Drie Kenmerken enkel braafjes in je boekje vermeld blijven, maak je d’r toch niet al te veel problemen over. Het is dan wel erg fijn erover te converseren in serieus gezelschap. Dat verklaart meteen waarom er in ons midden zoveel “salon-boeddhisten” rondlopen, die tot nut van het algemeen overvloedig met nikaya’s, abhidhamma’s, tantra’s en Nagarjuna’s kunnen uitpakken.

Maar wanneer het stringente lijden je plots, onverwachts bij de strot vastpakt, dat je veilig salon-bestaan op één dag of één week volledig in gruzelementen gedonderd wordt, - dat je meteen ontvalt wat je jaren en jarenlang zo dierbaar (en eigenlijk erg gewoon) was, de liefde van je vrouw, de vriendschap van je vriend, je thuis, je bien-se-sentir dans-sa-peau…

Je hebt dan goed jarenlang ‘n goed boeddhist geweest te zijn: zo’n catastrofe overvalt je net even goed als om het even wie.

Het is heus geen verdienste boeddhist (met of zonder hoofdletter) te zijn. Het is niet altijd zo prettig, zo even gemakkelijk een boeddhist te zijn. Het leven, het lijden zal je er niet minder of meer om sparen, enkel maar omdat je meent te weten waar ergens het lijden vandaan komt.

Je denkt het te weten: ons bestaan is niet zo schitterend. Al dat getoeter en dat geblink dat we willens nillens ondergaan, is slechts een lege schijn waarmee onze mensenmaatschappij probeert de levensproblemen weg te moffelen.

Je mag denken dat dit verraad is. Trouwens, word je niet elk moment van je bestaan verraden? Door je baas, door je vrouw, door je kinderen, door je familie, door je beste vriend, door de postbode, de belastingscontroleur, de minister van binnen- of buitenlandse zaken, door de NATO et door de UNO, door de groenen en door de martianen en door… en door…

En vooral door jezelf.

Omdat je meende dat jij veilig buiten het bereik van het lijden stond, omdat je allicht meende dat je goede voorbeeld ook de anderen tot voorbeeld zou dienen, omdat je meende dat de zegen van de Boeddha je veilig stelde.

Je hebt, als oprecht Theravadin, dat mooie Dhammapadam gelezen en herlezen. Ben je dan echt vergeten dat er iets in staat als: “Nergens in het hele heelal is er ook maar één plaats waar je ontkomen kan aan het karmische onheil.” En heb je, als boeddhist, ooit durven denken dat je buiten dat karmische onheil stond en dat lijden je voortaan bespaard zou blijven? Dat de vergankelijkheid van alle dingen netjes en ongestoord aan je voorbij zou gaan?

Ik weet het wel: van je vriend en bonze van de Jodo-Shinshu verwacht je woorden van troost. Hoe graag toch zou ik die vinden.

Natuurlijk: ik zou een wijze homilie kunnen afsteken, erg pastoraal en zalverig sermoenen over de dingen die komen en gaan, over de verdienste van het lijden, het nut van de beproeving. Dat helpt je geen zier, maar biedt mij de gelegenheid te tonen hoe welsprekend ik toch ben.

Dat helpt je geen zier, dat troost je niet, dat balsemt je zere wonden niet.

Daarbij zeggen dat het wel voorbijgaat, dat kan je nù niet geloven; dat je braaf moet zijn zoals het een goed boeddhist betaamt, dat wekt braakneigingen.

Neen, die taal gelukt mij niet. Al te vaak heb ik in eigen vlees pijn gevoeld, - dat ik verdomd goed weet hoe nutteloos dat gesuiker en dat gestroop wel is. Deed ik het toch, ik zou me face à moi-même een huichelaar vinden.

De Leer van de Boeddha is geen zalfjes-strijken. Het Pad van de Boeddha betreden is een martiale kunst. Het Boeddhisme is geen medicijn tegen nevrosen of psychosen, het is een crisismethode van vallen en opstaan.

Daarom, mijn vriend, heb ik niet die woorden die je eigenlijk, in je diepe verlatenheid van me verlangt.

Ik heb trouwens geen woorden voor geheel het lijden, dat van elk onder ons. Hoe zou ik?

Maar dit wil ik toch nog zeggen, ook al bevalt het misschien zo best: beschuldig niet àl te veel. Je ontdekt nu in de anderen de dieptes van illusie en zelfzucht. Gedenk echter dat wij allen (allen!) in en uit dwaasheid, nijd en begoocheling leven.

Niemand van ons is verschillend van diegenen die je liefde en vertrouwen bedrogen hebben.

Ik wil de zalving niet zover drijven dat ik zou zeggen dat je ze moet vergeven omdat zij niet weten wat zij doen.

Toch zou ik wel graag zien dat je, nu of later, uit vriendschap voor mij of uit overtuiging in de Leer  van de Boeddha, in alle wezens die drie verd… tekenen van het bestaande zou zien, zou erkennen, zou be-leven om tot een spiegelbeeld van je eigen bestaan te komen.

Ongelukkige vriend, ik kan je niets anders bieden dan de machteloze helpende hand van een vriend, met daarbij de woorden van de Boeddha en van alle meesters en wijzen die het leeuweroepen van de Leer, over de jungle van ons lijden heen, tot ons gebracht hebben.

Tot de woorden van de mij zo intiem dierbare Shinran Shonin toe:

het al-omvattende heerlijke licht straalt eeuwig beschermend over Ons;
ofschoon het duister van de onwetendheid reeds verdreven is,
blijven de dichte nevels van begeerte en verlangen, van haat en nijd
nog steeds de hemel van het diepe vertrouwen aan onze blik onttrekken.
En zelfs als de zon voor ons verduisterd is door mist en wolken,
toch schijnt ook onder het wolkendek dit licht en heerst geen donkerte.

Zo schreef Shinran het in zijn Shoshinge.

En ik hoop, vanuit de diepte van mijn vriendschap voor je, dat we spoedig samen deze verzen nog eens voor Amida’s altaar zullen zingen.

Shitoku.

Ekō 24

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

            home