IK… IK… IK… MIJ… MIJN… MIJN…

“IK ben het kotsbeu… Wat denkt die kerel wel! Zoiets met MIJ proberen te doen… Daar leen IK MIJ niet toe… Met heel de wereld maar niet met MIJ… Die vent kent MIJ nog niet goed… IK zal hem eens laten zien waartoe IK in staat ben…”

Zo’n zaken hoort men dagelijks rondom zich. Wie het eenmaal opgemerkt heeft, die ergert zich er voortdurend aan. Ontzettend hoe die mensen rondom je met zichzelf oplopen… Wat ‘n egoïstische bende toch, die wereld waarin we leven.

Het wordt nog een stuk erger als men die ik-ken en mij-en in het meervoud gaat zetten. Daar gaat het IK schuil achter een soort anonimiteit die men collectief, team, partij, kerk… noemt. Daar wordt het een WIJ-en en ONZE-n, in feite gewoon IK in de n-de macht.

Alleszins een gevaarlijke macht. WIJ, dat is de voetbalclub met zijn supporters, de zangvereniging, de bond van gepensioneerde vrouwen, maar dat is ook de staat, zijn administratie en zijn leger, dat is de ideologie met haar doctrinaire verplichtingen, haar heropvoedingskampen en psychiatrisch apparaat. Of dat is een godsdienst met zijn fanatisme, inquisitie, heilige oorlogen…

Want IK of WIJ, steeds betekent deze woorden “deze zijde”, de “goede kant”, de “énig goede”. De “anderen” zijn bij bepaling de slechten, de zondaars, de bedriegers, de vijanden.

Eigenlijk: aan al die woorden is er niet veel zaaks. We weten allemaal hoe erg hij wel kan zijn, die “moi haïssable” van Pascal. En wie onder ons lijdt niet onder dat egoïsme. Dat van de anderen… natuurlijk. Met ons eigen egoïsme kunnen we best overweg. Zo erg is dat nu ook weer niet.

En toch… En toch…

Er is geen bedrieglijker, gevaarlijker, geniepiger egoïsme dan het egoïsme dat we achter fraaie of hoogdravende principeverklaringen bergen of dat we in de diepe achterkamers van ons gemoed inkluizen, als een zeer waardevolle schat of als een schandelijke ziekte.

Geheel dat bestaan van “ons” draait om dat diepe geheime IK. Geen enkele handeling of gedachte in onze existentie kan zonder. Noch de liefde van een moeder voor haar kind, noch de held die voor zijn vaderland sterft, noch de gelovige die naar hemelse zaligheid streeft.

Als we met dat IK opgescheept zitten, hoe kunnen we ons dan een leven zonder lijden voorstellen? Dat IK van ons vliegt moment na moment in bittere strijd met al wat het ontmoet. Al wat “niet-ik”, wat het “andere” is. Elk IK, hoe mooi we het ons ook voorstellen, is onvermijdelijk veroordeeld tot confrontatie, conflict en nooit ophoudende strijd. Het IK is dan ook de nooit droogvallende bron van lijden: lijden voor onszelf, lijden voor anderen.

Het ergste aan deze situatie is dat we niet veel greep hebben op dat IK. We kunnen er niet veel aan dokteren, het niet bijschroeven. Want meer dan een geestesconstructie is dat IK niet. De historische Boeddha Gautama Shākyamuni heeft het ons duidelijk aangetoond. Geheel zijn Verlichting en zijn onderricht is gefundeerd op de erkenning van die ik-begoocheling. Er is geen ware “ik”, geen “ziel”, geen “zelf” dat op zichzelf zou bestaan, dat een metafysische eigenheid zou zijn. Geheel ons bestaan draait aldus rond een vergissing, een begoocheling, een min-droom, een waanbegrip…

Moesten we niet zo direct betrokken zijn in die valse ik/ons-situatie, moesten we voldoende afstand kunnen nemen van onszelf, wat zouden we heel die situatie absurd vinden! We zouden onze existentie kunnen zien als een taartensmijtfilm-met-de-dikke-en-de-dunne!

Helaas, helaas, we zitten midden in de rotzooi. Lees de krant, kijk naar TV: vind je daar niet de beste en alledaagse illustratie voor de Eerste Edele Waarheid: al het bestaande is door lijden getekend?

Wat kunnen wij eraan doen? IK zou ME van elk IK-denken moeten bevrijden? Is dat op zichzelf al geen tegenstrijdigheid? Mijn bevrijding, dat is het exploderen van elke ik-heidsdrang. IK zou uit “mijn” IK moeten uitbarsten, uitspringen?

Er is natuurlijk de Leer van de Boeddha, zoals meer dan 2 500 jaar terug Gautama ons die verkondigd heeft. Ik kan dus in een klooster gaan, me van de wereld afsluiten om via discipline en jarenlange meditatie mij uit mezelf te verlossen. Zal ik slagen? Hebben de miljoenen die in kloosterlijke afzondering de zwaarste praktijken beoefend hebben, allen de Verlichting verwezenlijkt? Sta me toe eraan te twijfelen. En moest ik dat doen, zou ik wel in staat staan er iets van terecht te brengen? Ik ben gewoon een dwaas, vol driften en begeertes, zo groot dat ik ze zelfs niet achter de hoogste toppen van de Himalaya kan wegstoppen.

Ik moet een minimum aan oprechtheid tegenover mezelf proberen op te brengen. Neen: IK kan het niet aan. IK zie het echt niet zitten. IK voel me rot in zo’n vooruitzicht. De hel is mijn natuurlijke toekomst. Hoe ik ook over die geschiedenis pieker, ik zie geen licht. Ik vind mijn eigen taarten smijtfilm maar een miezerige flop. Hoe ik het ook aanpak, ik bonk en bots telkens op mijn ik-muur.

Toch is er een oplossing. Het Grote Mededogen van de Boeddha KAN ons niet in de steek gelaten hebben. Er is iets dat “ik” en “niet-ik” overtreft en overbrugt. Dat “iets”, dat is het Boeddhaschap zelf, het Oneindige Mateloze Boeddhaschap, dat zijn wijsheidslicht over alle wezens ZONDER ONDERSCHEID uitstraalt, dat in zijn absolute onpersoonlijkheid elke “persoon” omhult, dat in alle wezens aanwezig is, zich voelbaar maakt als de Gelofte-Kracht in de natuurlijke wetmatigheid van de Verlichting voor alle wezens en door alle wezens.

Die kracht heeft een naam, zodat we die kracht in ons gemoed kunnen duiden en oproepen. We noemen die kracht NAMU AMIDA BUTSU. Hierin lossen alle conflicten en tegenstellingen zich op: geen “ik” meer, geen “niet-ik” meer.

Eigenlijk hoef ik helemaal niet meer beschaamd te zijn als ik ‘s ochtends in de spiegel kijk…

Shitoku.

Ekō 25

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

            home