Wanneer ik kijk naar mensen die er nog vol kracht uitzien, dan voel ik voor ze heel wat medelijden net om het tegendeel van hetgeen ze wel schijnen. Weldra zijn ze oud en ziek en ongelukkig. Maar nu kijken ze nog trots in de toekomst alsof ze in alle eeuwigheid zullen leven. Ze denken dan ook niet na over het kwaad dat ze tot nu toe onbezorgd volbracht hebben noch hebben ze er enig besef van hoe streng en onverbiddelijk de wetmatigheid van het karma wel is. En juist doordat ze weinig of nooit over eigen zonden of gebreken nadenken, zijn ze ook niet in het minst met andermans lijden en pijn begaan.
Het interesseert ze dan ook helemaal niet dat er in de wereld zoveel zieken, wezen, weduwen, armen en ongelukkigen zijn.
Maar de Boeddha ziet het wel anders. Want waarom immers is het zó dat alwie zich op deze oever bevindt, verlost moet worden? Sakyamuni verscheen in deze wereld om allen die in geest en lichaam lijden te bevrijden, - ook diegenen die in hun smarten huilen en weeklagen.
Wanneer we een onvoorwaardelijk vertrouwen in de Boeddha hebben, dan zijn we al begiftigd met Boeddha’s hart en geest. Een leven lijden dat een helpende hand uitsteekt naar allen die in wanhoop of nood zijn, dat is in waarheid eerst een zinvol leven. Wanneer Boeddha’s hart en geest, wat toch het gemoed van het Grote Mededogen is, zich in ons weerspiegelt, dan ontdekken we dat deze wereld heel wat ruimer is dan we wel dachten; rondom ons krijgt alles een nieuwe kleur en wonderlijke wijsheid borrelt op in ons gemoed.
In de andere Boeddhistische scholen leren de mensen naar de Verlichting te streven, maar die verwezenlijken ze nooit. Tegenwoordig vindt men niet eens de helft van een mens die verlicht zou geworden zijn. Toch praten en praten de mensen maar over Verlichting alsof die hun eigendom was. Sommigen durven zelfs zo ver gaan te beweren dat ze verlicht zijn!
Ik, Saizo Zuiken, ik zal wel nooit meer door zulke listige vossestreken betoverd worden. Wanneer het glinsteren in hun ogen verdoft, zullen die mensen vóór zich enkel diep duister ontwaren. Hun sterfbed wordt hun een klagen en grieven. Mij gaat het anders: Amida Boeddha waakt immers over mij. Hij is mijn goede vriend, hij is mijn bescherming. Hij heeft als het ware voor mij het Reine Land gevestigd, hij neemt me mee naar de Grote Oceaan van Wijsheid en Mededogen. Doorheen mijn dood schenkt hij mij het eindeloze leven. Amida is altijd met mij samen. Ik ben reeds in zijn boezem geborgen. Geen hinder of lijden kan mij nog deren.
Wie dit goede gemoed heeft, dient niet meer naar goede daden te hunkeren.
De beste van alle goede daden, dat is bezinning, dat is de Nembutsu.
Zuiken
|
|
|
|
|
|
Ekō 25 |
|
© 2003 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |