Citaat

Die dag regende het onophoudelijk. Genza, de Myokonin, keerde van zijn veld terug naar huis.

In het halfduister ontmoette hij de dorpspriester die kloeg over het verschrikkelijke weer en opmerkte hoe Genza’s kleren doornat waren. Genza glimlachte en zei: “Eerwaarde, wat ben ik mijn neus dankbaar! Stel je voor dat de neusgaten naar boven stonden! Heel de regen zou dan binnen in mijn lijf lopen. Wat ben ik gelukkig te zijn zoals ik ben! Namu Amida Butsu!”

Ekō 26

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

            home