Boeddhistische Invloeden

K. Petit

Het woord ukiyo roept bij de liefhebber van Japanse kunst een levensstijl op die kenmerkend is voor het begin van de Tokugawa-periode (1603-1868) en in het bijzonder voor de toen opkomende middenstand. Maar voor Boeddhisten heeft dit woord een heel andere betekenis; ze vertalen die term als “voortvliedende tijd”, “veranderlijke eendagswereld” of nog “zwevende wereld”.

Voor allen die zich inspannen te leven naar de vingerwijzingen van de Boeddha, drukt ukiyo een zekere zin van droefheid ten opzichte van de veranderlijkheid en vluchtigheid van het bestaan uit, een toestand van begoocheling, “a dream without a dream” zoals de Amerikaanse auteur Edgar Allan Poe (+ 1849) het zo juist zei.

Welnu, deze vluchtigheid van de aardse dingen komt heel vaak voor in de Japanse poëzie en zelfs in de volksliederen, waarin men veel uitdrukkingen of zelfs gewoon toespelingen aantreft die verwijzen naar de Leer van de Boeddha. Ontelbaar zijn immers in het Land van de Rijzende Zon, de getuigenissen van de diepe invloed van het Boeddhisme op de vroegere Japanse maatschappij.

Men stelt die invloed in mindere of meerdere mate vast in een groot aantal poëtische werken uit de Heian-periode (8ste-12de eeuw), maar men vindt ze eveneens tot in meer recente tijden. Zo getuigt b.v. de beknoptheid en de eenvoud van de haiku (beter woord dan haikai) van verwantschap met de Zen-leer.

We zullen ons hier tot slechts enkele voorbeelden beperken.

De korte gedichten van Bashō (1), dichter-zwerver met een bijna Franciscaanse gevoeligheid (1644-1694), zijn diep doordrongen van de geest van het Boeddhisme. Volgende haiku drukt zijn gevoelens ten opzichte van dieren uit:

Ontwaak! Ontwaak!
Ik wil van jou mijn vriend maken,
kleine vlinder die nog sluimert.

Sengai (1750-1837) was een beroemd Zen-kalligraaf; op een dag schreef hij op een humoristische tekening die een bliksem voorstelde, het volgende (2):

Waarbij ons leven vergelijken?
Vooraleer ik ook maar zeggen kan: bij een bliksem
of een dauwdruppel, is het al voorbij.

De dichter zinspeelt hier op een van de kortstondige verschijnselen die, volgens de Diamant-sūtra (Kongō-kyō) en zoals iedereen weet, kunnen vergeleken worden bij het leven: een droom, een luchtbel, een bliksem, een dauwdruppel. Er is ook een Japans spreekwoord dat luidt: “Tsuyu no inochi”, wat men ongeveer kan vertalen als: ‘Het leven van een mens is net wat ochtenddauw’.

Men kan natuurlijk ook de dramatische liederen utai vermelden, die prominente Boeddhistische priesters bij gelegenheid dichtten en waarin uiteraard de verhouding tot het Boeddhisme duidelijk naar voren komt.

Maar ook de Japanse niet-religieuze poëzie getuigt van de vergankelijke aard van het bestaande. Dat bemerkt men o. a. in sommige 26-lettergrepige vier-verzige geisha-liederen (de populaire dodoitsu), kleine niet-pretentieuze werkjes waarin nochtans de invloed van het Boeddhisme vaak doorklinkt, zoals in dit hier, in vrije vertaling:

Als zelfs een lichte aanraking van kimono-mouwen
voortkomt uit een “en” van een vorig bestaan,
hoeveel dieper moet dan de “en” zijn die ons nu verbindt.

Herinneren we er even aan dat “en” een Boeddhistische term is die we zouden kunnen vertalen als “affiniteit” of “het oorzakelijk verband van het ene leven naar het andere”. De naamloze auteur zinspeelt hier bovendien op een oud spreekwoord dat zegt: “Zelfs de lichte aanraking van kimono-mouwen is nog te wijten aan een affiniteit (tashō no en) uit een vroeger bestaan.”

De liederen met toespelingen op het geloof aan een vroeger bestaan, aan wedergeboorte, aan het Rad van Karma, komen veelvuldig voor.

Ziehier anderzijds dan ook enkele verzen die verwijzen naar een zeer oude Boeddhistische volkstraditie, die de trouw aan de gedachtenis van een echtgenoot of een minnaar symboliseert door het afsnijden van het hoofdhaar:

Te zijner gedachtenis heb ik mijn haar afgesneden
Maar hoe zouden, nu of in een later bestaan,
de stevige banden die ons binden
ooit kunnen verbroken worden?

Laten we in het voorbijgaan even vermelden dat Lafcadio Hearn, in zijn boek Glimpses of Unfamiliar Japan, in het hoofdstuk gewijd aan de vrouwelijke haartooi, interessante details over dit onderwerp geeft.

Het volgende voorbeeld citeert de naam van de 28ste Zen-patriarch Daruma (Bodhidharma), die volgens de legende het gebruik van zijn beide benen verloor ten gevolge van negen jaar ononderbroken meditatie:

De schaduwen en de vormen verwazen
en keren naar het niets terug.
Hij kent best deze waarheid, die Daruma van sneeuw.

In Japan geven de kinderen immers aan de sneeuwmannen zonder benen die ze maken, de naam Daruma.

Zowat overal, in dit land van de vluchtige schoonheid, hoort men volgend door het Boeddhisme geïnspireerd volkslied:

Wie nooit verstoord is geworden
door de lieftallige glimlach van een vrouw,
dat moet wel een Boeddha van hout of brons of steen zijn!

Boeddhistische uitdrukkingen als “de drieduizend werelden” (3), “Zwaardenberg” en “Bloedmeer-hel” (plaats van hellestraffen respectievelijk voor mannen en voor vrouwen) enz. worden eveneens vaak aangetroffen in volksgedichten en –liederen.

Zelfs in sommige kinder- en ambachtsliederen treft men dikwijls de invloed aan van de Leer van de Verhevene: uitdrukkingen, spreekwoorden, woorden, soms een verwijzing naar een of andere legende over een heilig man, of zelfs gewoonweg citaten uit de sūtra’s!

Overal, in dit land vol ceremonieel, poëzie en traditie, ontdekt men op voorwaarde van er oog voor te hebben, echo’s van de Boeddhistische leer die er eertijds door onvermoeibare monniken uitgedragen is geworden. We hebben ze hier slechts op zeer bescheiden wijze willen oproepen.

(1) Cfr. K. Petit, “Le divin Bashô”, in Message d’Extrême-Orient, 1971, p.38-44.

(2) Nr 23 van de catalogus van de tentoonstelling in het Musée Cernuschi, te Parijs in 1962: “Oeuvres de Sengai, moine japonais du XVIIe siècle”.

(3) Lang voor de ontdekking van het uitgebreidheid van het heelal met al zijn sterrenwerelden, herinnert de uitdrukking “de drieduizend werelden” (san-zen-sekai) ons eraan dat de Boeddhistische leer zich niet enkel richt tot de bewoners van onze planeet, maar ook tot de “ontelbaar talrijke honderdduizenden miljoenen kōti’s (10 000 000) van werelden”.

 

Ofschoon de haiku zeer blijkbaar ontstaan is in Zen-middens, bleef deze poëtische vorm niet beperkt tot enkel de Meditatiescholen. Net als de theeceremonie, het bloemenschikken of de krijgskunsten, doordrong het haiku dichten alle lagen van de Japanse bevolking en alle Boeddhistische stromingen.

Bashō wordt gewoonlijk (en terecht) als belangrijkste en meest originele haiku-dichter beschouwd. Als “tweede” citeert men meestal Īssa, een Jōdo-Shinshū myōkōnin, waarvan Ekō hoopt in een van de volgende afleveringen een serie gedichten te publiceren.

(Sh.)

Ekō 31

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

            home