Honolulu: IASBS

Het tweede congres van de International Association of Shin Buddhist Studies (I.A.S.B.S.) ging door op 3, 4 en 5 augustus in het Ala Moana Hotel te Honolulu, op het eiland Oahu van de Hawaï-archipel.

De keuze van Hawaï en Honolulu is niet lukraak (en ook niet voor de strorokjes van de hoelahoela-meisjes, die behoren tot een Hawaï-illusie…) gebeurd. Hawaï is immers een uniek en zeer opmerkelijk geval, vooral op het gebied van ethische en religieuze cohabitatie.

Buiten de inheems, Polynesische Hawaïanen, die nu een bewuste minderheid vormen, maar waarin ‘zuiver ras’ zo goed als niet meer voorkomt, vindt men hier ethnische en religieuze groepen vanuit zo goed als de gehele wereld vergaard. En het merkwaardige is dat ze doodgewoon samenleven alsof het de doodgewoonste zaak ter wereld was…

Allicht de in aantal belangrijkste ethnische groep is die van de afstammelingen van de Japanse ‘gastarbeiders’ die eind 19de, begin 20ste eeuw met scheepsvrachten ingevoerd werden voor de vuile en zware karweien op de plantages en in de openbare werken. Eveneens uit Azië kwamen drommen Chinezen, later ook veel Filippino’s, Koreanen en sedert enkele jaren ook Vietnamezen. Het blanke ras is niet enkel vertegenwoordigd door de Angelsaksische “Caucasians”, de eertijds koloniserende heersers, maar ook door de klein- en achterkleinkinderen van suikerriettelers uit Madeira, die nu nog steeds een hechte Portugeessprekende gemeenschap vormen. Bovendien zijn er Indiërs, Samoanen, Tonga-ezen… zelfs Belgen…

België staat in Hawaï trouwens in een geur van heiligheid. Dit beslist in tegenstelling tot de opinie in heel wat andere regionen; maar dat komt natuurlijk door de melaatsenheilige Pater Damiaan uit het Kempense Westerlo. “Father Damien” staat (als énig standbeeld) vóór het State Capitol.

Religieus is in dit Belgenminnend land de diversiteit even groot. De grote meerderheid bekent zich tot één of andere vorm van Christendom, maar dan hopeloos verdeeld in een mozaïek van kerken en kerkjes. Buiten de Rooms-Katholieken (heel wat Vlaamse paters zijn in Hawaï werkzaam, meestal Scheutisten) en een kleine Grieks-Orthodoxe groep, zijn het zo goed als alle plusminus Protestantse gemeenschappen; enkele zijn verspreid over de wereld, maar heel wat van de kerkjes zijn uitsluitend lokaal: hier mag en kan immers iedereen een eigen kerk, een eigen religie uit de grond stampen. Volgens het telefoonboek van Honolulu, zouden er enkel al in dit district, zo een 200 “churches” zijn.

Onder de Boeddhisten van alle slag en afstamming, vormt de Jōdo-Shinshū (om historische redenen) de grote meerderheid. Bovendien zijn praktisch alle Shin-Boeddhisten gegroepeerd rondom de Honpa Hongwanji Mission, die de oudste “Buddhist Church” in Hawaï is en weldra een eeuw oud is.

Het Shin-Boeddhisme is in Hawaï een levende werkelijkheid: het groepeert niet langer enkel mensen van Japanse afkomst, maar ook een toenemend aantal “Caucasians” en zelfs Polynesiërs en Chinezen. Onder de drijfkrachten van dit Hawaïaanse Shin-Boeddhisme, spelen deze “Caucasians” vaak een belangrijke rol. Denken we maar aan Rev. Ruth Tabrah en aan Prof. Dr. Alfred Bloom.

Een groot gedeelte van de Organisatie van het IASBS-congres rustte dan ook op hun schouders. Deze Organisatie was in alle opzichten een onbetwist succes! Mede uiteraard door de daadwerkelijke steun van de Hongwanji-geestelijkheid en de enthousiaste inzet van de dames en de heren van de lekenverenigingen.

Heel wat van die mensen hadden er bovendien aan gehouden alle lezingen bij te wonen. Als men bedenkt dat de IASBS een academische vereniging is, waar de HH. Professoren hoogtij vieren in hun jargon, en dat heel wat van de onderwerpen buiten de belangstellingssfeer en boven het petje van de “gewone gelovige” gingen, dan kan men die vastberadenheid erbij te zijn, en de verbetenheid méér te weten te komen over zijn eigen religie, slechts bewonderen.

Nuttig is ook te weten dat de leden van IASBS niet noodzakelijkerwijze Boeddhisten zijn, maar dat er ook Christenen en agnostici onder zijn. Wat die professoren uit geheel de wereld verbindt, dat is hun belangstelling, die het Shin-Boeddhisme tot hun privé of professioneel studieonderwerp gemaakt heeft.

Hieronder volgen enkele van de behandelde onderwerpen; de tekst is gebaseerd op de synopsissen door de sprekers zelf opgesteld. Van enkele sprekers was geen synopsis tijdig genoeg ingediend; hun onderwerp zal afzonderlijk kort vermeld worden. Voorzien is overigens dat de integrale teksten geleidelijk in The Pure Land zullen gepubliceerd worden.

Prof. Michio TOKUNAGA (Kyoto Women’s Univ.): The “Non-Self” Aspect in Shinran’s Concept of “Faith”:

Shinran is gekend doordat hij de diepgang van het “vertrouwen” in Amida’s Voortijdelijke Gelofte beklemtoond heeft; deze Gelofte maakt immers de verlossing van de wezens mogelijk zonder hiervoor enige voorwaarde te stellen. Bijgevolg betekent “vertrouwen” in de Voortijdelijke Gelofte de volkomen overgave van zichzelf aan de werkzaamheid van de Gelofte. Met andere woorden: het betekent niet-werkzaamheid vanwege de persoon, d.i. de totale negatie van de egogerichte zelf-werkzaamheid. “Zelf-kracht” is in Shinrans terminologie daarom de sleutel om duidelijk te maken wat “vertrouwen” is. Deze lezing beoogt het begrip “zelf-kracht” te testen door de door Shinran hiervoor gebezigde synoniemen te onderzoeken; hierdoor zal “vertrouwen” in de Voortijdelijke Gelofte gedefinieerd worden als de negatie van elke gehechtheid, zelfs aan Amida. Het wordt aldus als het ware, een “vertrouwen” in een “lege Heiland”. We zien hier een begrip verwant aan anupalambha een essentieel concept in verband met sunyata in het Mahayana Boeddhisme.

Prof. Juko MINAMOTO (Ryukoku Univ., Kyoto): Shinran’s Tariki and the Character of Religious Intuition:

Shinran heeft voorgestaan dat Shinjin geschonken wordt door de Tathāgata. Dit betekent dat Shinjin niet ontstaat uit Jiriki (zelf-kracht), maar uit Tariki (Ander- Kracht). Wat nu is de eigenlijke betekenis van de zin: “Shinjin ontstaat uit Tariki?”. Zuiver doctrinaal gesproken, heeft Shinjin zijn oorsprong in de Tariki van Hongan (de Gelofte bij uitstek, pūrvapranidhāna), maar wanneer we de religieuze ervaring van naderbij bekijken, stellen we vast dat het karakter van de religieuze intuïtie één van de bronnen is waaruit het Tariki-denken voortkomt.

Prof. Emer. Kakue MIYAJI (Ryukoku Univ. & Santa Barbara Univ.): Some Remarkable Characteristics of Jōdo-Shinshū:

(1) Verlossing verzekerd enkel door het “Vertrouwen-Gemoed (“Yuishin-shōin”).

(2) Heil door Amita-Buddha’s Absolute Kracht (“Zettai-tariki”).

(3) Heil ook voor de bozen (“Akunin-kyūsai”).

(4) Geboorte in het Reine Land betekent Verwezenlijking van het Boeddhaschap (“Ōjō-soku-jōbutsu”).

(5) Absolute negatie van elke vorm van bijgeloof (“Mei-shin-haijo”).

Kyoko NISHIZAKI (Ryukoku Univ., Kyoto): The Significance of Nembutsu, “Namu Amida Butsu”:

Standpunt: Wat betekent de Nembutsu in mijn leven?
Wat betekent de Nembutsu voor mij?
Wat betekent “een Nembutsu-beoefenaar” voor mij?

I. De betekenis van Grote Praktijk (“daigyo”)

1. De Grote Praktijk, Namu Amida Butsu, is de Naam (myōgō) van de vervulling van Amida’s Voortijdelijke Gelofte.

2. De Naam van de vervulling van Amida’s Voortijdelijke Gelofte betekent: Groot Mededogen.

II. De betekenis van Groot Gemoed (“daishin”)

1. De betekenis van het feit dat “Gemoed” (”shin”) afhankelijk is van “daigyo”. Rein Gemoed.

2. De betekenis van de zin “Waar Shinjin en Nembutsu”.

3. De betekenis van de zin “Verwezenlijking van Boeddhaschap door de Nembutsu: dit is de ware essentie van het Pad van het Reine Land.”

III. De betekenis van de levensopvatting van “een Nembutsu beoefenaar”

1. De betekenis van de ware onderlinge afhankelijkheid: “De mens van Nembutsu (bewandelt) het enkele pad zonder hindernissen”.

2. De betekenis van de zin: “Wanneer ik van nabij Amida’s Gelofte overweeg, ontstaan uit vijf kalpa’s meditatie, dan stel ik vast dat dit uitsluitend gebeurd is voor mijzelf, Shinran, alleen!”

Dr. Nobuo HANEDA (I.B.S., Berkeley): The Final Dharma Theory as the Basis of Shan-tao’s Doctrine

Talrijke geleerden hebben erop gewezen dat de theorie van de Laatste Dharma (“periode van de verworden Leer”) een van de belangrijkste doctrinale fundamenten is van de Chinese Reine Land doctrine. Traditioneel wordt deze theorie gezien als het determinerend motief in Tao-ch’o’s denken. Spreker meent dat deze zelfde theorie van vitaal belang is eveneens voor Shan-tao’s denken. Nochtans is spreker van mening dat de belangrijke rol van deze theorie voor Shan-tao tot nu toe niet grondig onderzocht is geworden. Deze lezing streeft ernaar dit punt te verduidelijken, volgens het schema:

I. Wat is de theorie van de Laatste Dharma?

II. De theorie van de Laatste Dharma vóór Shan-tao

(a) De Schijn-Dharma theorie bij T’an-luan

(b) De Laatste Dharma theorie bij Tao-ch’o

III.De theorie van de Laatste Dharma in Shan-tao’s denken

(a) De theorie van de Laatste Dharma als basis voor Shan-tao’s opvatting over het “menselijk potentieel”

(b) De theorie van de Laatste Dharma als basis voor Shan-tao’s opvatting van Praktijk.

Prof. Allan A. ANDREWS (Vermont Univ.): Perspectives on Honen’s Movement Revealed by the Kofukuji Temple’s Indictment.

Deze lezing wil trachten licht te werpen op de toenmalige opvatting over lonen, zoals uitgedrukt in Jokei’s “Kofukuji sojo” (Beschuldiging vanwege Kofukuji Tempel tegen Honen). Na een overzicht van de omstandigheden waarin dit document werd opgesteld en de aard van de beschuldigingen die het bevat tegen Honens beweging. Spreker wil aantonen dat de eerste en ernstigste beschuldiging was dat Honen het inzicht had een nieuwe “shū” (Boeddhistische school, orde of sekte) op te richten zonder enige keizerlijke vergunning en zonder duidelijke persoonlijke transmissie van de Dharma.

Dit toont ons een opvatting over religie ten tijde van Honen welke volledig verschilt van onze hedendaagse inzichten. Religie was in die tijd een openbare aangelegenheid; instituties en handelingen dienden door de overheid erkend te worden. Tegenwoordig is religie een privé-zaak tussen man of vrouw en zijn of haar God of Boeddha; naar onze opvattingen heeft de staat noch recht noch grond tussenbeide te komen in onze spirituele beleving. Ten tijde van Honen vereiste een geloofsopvatting een persoonlijke en formele transmissie; nu kan een geloof privé zijn zonder erkende transmissie om de authenticiteit ervan aan te tonen. Spreker suggereert dat dit onderscheid ons allicht kan helpen de vervolgingen waaraan Honen en zijn beweging bloot gestaan hebben, te begrijpen. Spreker wil aan op basis van de “Sammai hottokuki”, dat Honen meende een persoonlijke transmissie van de Reine Land Dharma ontvangen te hebben van Shan-tao (Zendo), wat hem verrechtvaardigde in “Senjaku Shū” een nieuwe “shū” uit te roepen.

Prof. Asaeda ZENSHŌ (Ryukoku Univ., Kyoto): Problems in the Study of the Myōkōnin

Deze lezing is een poging aard en geschiedenis van Jōdo-Shinshū te verduidelijken aan de hand van de geschiedenis van de research gewijd aan de Myōkōnin. Om dit te doen, dient men de diverse studies eraan gewijd in het verleden te onderzoeken. De benaming “Myōkōnin” is gebruikt geworden voor diepgelovige aanhangers van de Shinshū-traditie sedert de Edo-periode, toen het werk “Biografieën van de Myōkōnin” samengesteld werd.

De problemen in research aangaande de Myōkōnin omvatten:

(1) de transmissielijnen van hun onderricht;

(2) research over de authenticiteit van de vermeldingen, in het bijzonder de problemen in verband met manuscripten en gedrukte uitgaves; en

(3) een onderzoek van de inzichten van de verschillende onderzoekers aangaande het imago van de Ideale gelovige in Jōdo-Shinshū. Deze problemen worden besproken aan de hand van representatieve voorbeelden van onderzoek in het verleden en suggesties voor toekomstige research.

Dr. Toshikazu ARAI (Ryukoku Univ., Kyoto): The Myogo as Religious Symbolism

Bedoeling is de betekenis en de functie van de Myōgō, de Naam van Amida Buddha, te verduidelijken.

De Myōgō is het scharnierpunt van de Jōdo-Shinshū; toch is het niet gemakkelijk een duidelijke, overtuigende verklaring voor de Myōgō te vinden. Sommige verklaringen zijn overladen met conventionele, steriele termen, terwijl andere weer te subjectief zijn, ofschoon gebaseerd op een zuiver religieuze ervaring. Spreker analyseert verschillende functies van de Myōgō, zich baserend op de geschriften van Shinran Shōnin en sommige diepgelovige Nembutsu-beoefenaars, de Myōkōnin, en in het licht van het Westerse concept van religieus symbolisme. Wanneer spreker het heeft over “religieus symbolisme” denkt hij aan de bepaling ervan gegeven door Paul Tillich in zijn “Dynamics of Faith”. De oorsprong van sprekers lezing berust eigenlijk in de twijfel of de Myōgō wel kan vereenzelvigd worden met het religieuze symbool in Tillichs definitie ervan. Tillich stelt dat alle religieuze symbolen wijzen naar hetgeen gezien wordt als het uiteindelijke doel, maar er nooit werkelijk één mee kunnen worden. Hij noemt het concept van eenheid van religieus symbool en het gesymboliseerde, “afgodig” (‘idolatrous’). Nochtans zijn er in de Jōdo-Shinshū talrijke vermeldingen die erop wijzen dat Myōgō en Voortijdelijke Gelofte één zijn. Immers, de ware heilsvervulling in het Shin Boeddhisme, heeft plaats onmiddellijk en simultaan met het uitspreken van de Myōgō.

Om te besluiten heeft spreker vier dimensies waarin de Myōgō werkzaam is, bepaald: eerst, de Myōgō als een ‘teken’ gebruikt in dagelijkse omgang, b.v. in toneel of kinderliederen; ten tweede, de Myōgō als religieus symbool volgens Tillichs bepaling, d.i. met een grote afstand tussen het symbool en het gesymboliseerde; ten derde, de Myōgō als een “supersymbool” in de zin dat het elke afstand in tijd en ruimte tussen symbool en gesymboliseerde transcendeert; en, ten vierde, de Myōgō opnieuw als symbool uitgesproken als oprechte uitdrukking van dankbaarheid.

Rev. Philipp Karl EIDMANN: Is a Paragraph Missing from the Amida Sutra?

In de vijfde paragraaf van Kumarajiva’s versie van de Amida Sutra, vinden we de woorden “Geel goud is de aarde”. De bestaande Sanskriet tekst is zeer gelijkend. Nochtans bij aandachtig lezen van de paragraaf, krijgt men de indruk dat deze woorden a.h.w. indringers zijn in deze passage, waar in de eerste helft gesproken wordt over de allesdoordringende hemelse muziek en in de tweede helft over het huldigen van de Boeddha’s van het gehele heelal: de verwijzing naar de gouden aarde valt geheel buiten de toon. De Tibetaanse versie heeft evenwel een refrein dat deze woorden vooraf gaat en uit twee paragrafen bestaat; de T’ang-versie van Hsuan Chuang heeft refreinen vóór en nà die woorden, waardoor drie paragrafen ontstaan. Het is daarom mogelijk dat de oertekst in deze passage twee of drie paragrafen had, maar dat die verloren gegaan kunnen zijn vóórdat Kumarajiva kennis had van de sutra. Aan de hand van de nog bestaande versies blijkt het evenwel zo goed als onmogelijk de eventueel ontbrekende paragrafen te reconstrueren.

Prof. Michael PYE (Marburg Univ.): How Japanese is Shin Buddhism?

Nu dat het Shin-Boeddhisme een internationale rol begint te spelen, stellen zich twee vragen. Eerst is er het probleem van de vertaalbaarheid en mededeelbaarheid van het Shin-Boeddhisme in niet-Japanse termen. Ten tweede is er het probleem van de verhouding tussen het Shin-Boeddhisme en de andere Boeddhistische tradities en, eigenlijk vooral, tot de wortels en het algemene karakter van het Boeddhisme. Beide vragen kunnen samengebald worden in de vraag: “Hoe Japans is het Shin-Boeddhisme?” Deze formulering dient op haar beurt echter gezien te worden als een onderdeel van het verderstrekkende probleem in hoeverre het Boeddhisme in het algemeen ervaren wordt door de Japanners en ook door anderen, als zijnde universeel van aard. Het is duidelijk dat deze situatie analoge verschijnselen heeft ook in andere tradities, maar zeker problemen stelt in de actuele context van de diverse Japanse religies. Deze verdere beschouwingen vormen de context en aanleiding tot verdere overweging over specifieke aspecten van het Shin-Boeddhisme, namelijk de conceptuele, rituele, sociale en subjectieve aspecten, samen met de traditioneel-dynamische dimensie ervan.

Rev. Eizo TANAKA (Tokiwa High School): The Anjin Ketsujo-sho, the Secret Key to Shin Buddhism

Spreker heeft dit werk in het Engels vertaald. Hij behandelt de verschillende problemen eraan verbonden, o.a. de anonieme auteur, de impact van de mystiek-gerichte inhoud op de evolutie van het Shin-Boeddhisme, de boeddhologische problemen als de essentiële eenheid van Absoluut Boeddhaschap en Nembutsu-beoefenaar of de nadruk gelegd op het “Vredige-Rust-Gemoed” (‘anjin’), begrip dat sedert Rennyō Shōnin een grote rol gespeeld heeft in het Shin-Boeddhisme.

Prof. Hisao INAGAKI (Ryukoku Univ., Kyoto): Amida Samadhi and Nembutsu Samadhi

“Mida zanmai” (Amida Samadhi) is een term gebruikt door Shin-boeddhologen en verwijst naar de samadhi (concentratietoestand) waarin de Boeddha trad vooraleer hij de Grote Sutra predikte. Eerst wordt onderzocht naar de oorspronkelijke betekenis van de term en diens verhouding tot de Nembutsu Samadhi. Vervolgens wordt gepoogd de geschiedenis en de soteriologische betekenis van de Nembutsu Samadhi te verduidelijken ten opzichte van de Pratyutpanna Samadhi en de Boeddha-Visualiserings-Samadhi. Ten slotte en als conclusie, wordt aangetoond dat beide Samadhis de ruggengraat vormen van het Reine Land Boeddhisme in het algemeen, en dat ze aan de basis liggen van het Shin-Boeddhisme en van zijn praktijk.

Dr. Roland TATSUGUCHI (Shinshu Kyokai): B. F. Skinner and Jōdo-Shinshū

De geldigheid van werkzame conditioneringstechnieken gebaseerd op empirische gegevens afgeleid van gecontroleerde laboratoriumexperimenten worden in deze lezing niet in vraag gesteld. Wat wèl een vraag blijft in Skinners zoeken naar een gedragswetenschap en -technologie om de onrechtvaardigheden en de problemen van de mensheid te genezen, is zijn dogmatische bewering dat de genetische verworvenheid en de uitwendige milieufactoren, die hij technisch etiketteert als ‘contingenties’, de enige en uitsluitende factoren zijn die controleren en dus determineren hoe het menselijke organisme, of andere niet-menselijke hierbij betrokken organismen, handelt. In deze beslist éénzijdige visie, ontkent Skinner het bestaan van de realiteit van “menselijk bewustzijn”; deze loochening van cognitieve-cogitatieve functies in de mens dient in vraag gesteld te worden, voornamelijk door een Boeddhistisch gerichte analyse van de mens, zijn milieu en zijn realiteit.

De contradicties en paradoxen vervat in Skinners “environmental determinism” worden eveneens onderzocht in functie van elementen van ‘hakarai’(”berekeningen, problematiek”) en de daaraan gekoppelde term ‘jiriki’ (“zelf-kracht”), welke beide menselijke kracht, menselijke intelligentie en menselijke controle impliceren. De implicaties van ‘jinen’ (“natuurlijkheid”) en zijn tweelingsconcept ‘tariki’ (“Ander-Kracht”) worden besproken en vergeleken bij de assumpties van een onpersoonlijke wetenschappelijke en technologische methode welke verondersteld wordt vrij te zijn van menselijke berekeningen. In Skinners geval, blijkt zijn wetenschappelijke objectiviteit niet zo onpersoonlijk te zijn als hij wel beweert.

Van enkele lezingen waren geen synopses beschikbaar. Ziehier dan een overzicht opgesteld door uw verslaggever, en wel in alfabetische volgorde:

Rev. Keisai DOKI: Jataka Tales and Dharmakara’s Practices

De Jataka-verhalen hebben in het Boeddhisme steeds een grote educatieve rol vervuld. Het Reine Land Boeddhisme is er geen uitzondering op. Zowel Shan-tao als Honen hebben het belang van de Jataka’s beklemtoond, maar toonden daarbij aan dat deze verhalen niet enkel betrekking hebben op de voorgeschiedenis van Shakyamuni Buddha, maar ook in verband kunnen gebracht worden met Dharmakara Bodhisattva, de causale staat van Amida Buddha.

Prof. Jean HIGGINS: Luther and Shinran on “Fides Sola”: A Textual Study

Shinran en Luther leefden in duidelijk verschillende geografische, historische, culturele en religieuze situaties, maar de bijdragen die elk leverde aan de eigen religieuze traditie vertonen opmerkelijke parallellen, wat betreft het probleem van hervorming, heilsleer, het geloof-gebeuren. Beperkt men zich tot enkel deze punten van gelijkenis, dan kan gesteld worden dat de essentie van Shinrans heilsleer (Gelofte, Naam en Vertrouwen) gelijklopend is met die van Luther (Belofte, Woord en Geloof).

Prof. Shitoku A. PEEL (Fac. Vergel. Godsdienstwet., Antwerpen) Acculturation of Shin Buddhism in Europe

Aansluitend bij de lezing in Harvard Univ. vorig jaar, behandelde spreker nu de dilemma’s op theologisch en/of boeddhologisch vlak: de religieuze milieu-situatie, de verhouding Oosters/Westers en de verwarringsmogelijkheden, dialogeren met Christenen, atheïsten en Boeddhisten van andere strekkingen.

Rev. Ruth TABRAH (Buddhist Study Center, Honolulu): Dewdrop on Grassblade: Shin Buddhism and the New Physics

Sedert enige tijd heeft de moderne wetenschap, vooral de fysica, definitief afscheid genomen van het mechanische wereldbeeld. Dit heeft geleid tot nieuwe vormen van kennisleer en logica en de introductie van begrippen die een sterke verwantschap vertonen met begrippen uit de Boeddhistische filosofie. Spreker behandelt deze begrippen en hun onderlinge verhouding aan de hand van de theorieën van David Bohin.

Prof. Taitetsu UNNO (Smith College): Toward a Shin Buddhist Dharmology

Spreker legt er de nadruk op dat de presentatie van de Shin-doctrine nog geheel in de ban blijft van de Japans- traditionele restricties uit de Tokugawa-periode; hierbij worden de gemeenschappelijke wortels met alle scholen van het Boeddhisme verduisterd, waardoor het mogelijk is geworden dat buitenstaanders de Jōdo-Shinshū konden beschouwen als een afwijking of een vervorming van het Boeddhisme. Nadruk dient gelegd te worden op punten van gemeenschap: anātman, sūnyatā, enz. Het is in die zin dat Shinrans denken dient uiteengezet te worden.

Rev. Bishop Seigen YANAOKA (B.C.A.): Jodo Shinshu Religious Education Studies: A Study into the Meaning of Transmission

De basisdoctrines van Jōdo-Shinshū kunnen niet in een eeuwig onveranderlijke vorm overgeleverd worden, maar dienen in de overdracht aangepast te worden aan de sensibiliteit van elke periode en van elk milieu. Dit vooronderstelt een onderwijsstructuur die naar de mensen toegaat en rekening houdt met de omstandigheden waarin die mensen leven en met de problemen waarmee ze geconfronteerd worden. Het vasthouden aan geijkte vormen van transmissie leidt onvermijdelijk, zeker in het contact met Westerse religieuze en filosofische tradities, tot ernstige interpreteringsfouten.

Shitoku heeft van zijn verblijf in Hawaï gebruik gemaakt om oude vrienden en bekenden te ontmoeten, maar ook om nieuwe vrienden te maken. Hij kwam tweemaal voor de radio, sprak in enkele tempels, leidde een driedaags seminarie (opgelet lezer: IN Hawaï betekent in de staat Hawaï, de archipel gevormd door de zes grotere eilanden van de groep; OP Hawaï betekent op het eiland dat Hawaï heeft – ‘The Big Island’- en dat zijn naam aan de groep gegeven heeft), waar hij eveneens aan de andere kant van het eiland, de feestrede uitsprak op de jaarlijkse conventie van de lekenverenigingen, naar aanleiding van het feit dat het juist 100 jaar geleden was dat de eerste gastarbeiders uit Japan in Hawaï ingevoerd werden.

Hij maakt van de gelegenheid gebruik zijn diepe dank uit te spreken voor al diegenen die ervoor gezorgd hebben dat zijn verblijf zo aangenaam mogelijk was: eerst en vooral de familie Charlie en Connie Fukumoto, waar Shitoku een heerlijk onderdak gevonden heeft, Rev. Kondo van het Buddhist Study Center, Rev. Makino van Mililani Hongwanji, Bishop Yoshiaki Fujitani en geheel diens gezin, Rev. Muneto van de Kona Hongwanji te Kealakekua en de vele vele anderen… Mahalo!

Ekō 31

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

            home