Dankbaarheid

Wanneer we, bij het einde of bij het begin van een jaar trachten te overschouwen wat er zoal gebeurd is met b.v. onze tempel Jikō-ji, hoever we nu staan en hoe we de toekomst tegemoet gaan, dan is het overstelpende gevoel een warmte van dankbaarheid. Meestal een moeilijk te definiëren gevoel van dankbaarheid. Moeilijk, doordat onze dankbaarheid opwelt als het ware zonder een duidelijk geprofileerd object. Wie zijn we dan dankbaar?

Dankbaarheid in de allereerste plaats voor de Boeddha van het Oneindige Licht en Leven, dat spreekt voor ons Shin-Boeddhisten vanzelf; maar toch stuiten we willens nillens op het probleem dat Amida geen echt “wezen” is, geen persoonlijke of onpersoonlijke ‘Godheid’. We moeten beroep doen op geraffineerde abstraherende vermogens van onze geest om Amida te “zien” als pure werkzaamheid: die van wat we Verlichting of Grote Mededogen noemen. Buddhologisch voelen we ons dan geruster, want Amida heeft noch vorm noch voorstelbaarheid… Of toch?

Wanneer we naar een “lichaam” voor Amida zoeken, een of andere verschijningsvorm, zien we - en dan liefst met de ogen van Shinran Shōnin! - dan niet dat eigenlijk geheel het bestaande niets anders is dan de vormenveelheid van het Oneindige Boeddhaschap? De wereld als lichaam van Amida… dat is allicht te ver gezocht; dat is een visie die misschien past in een of andere mystieke aanpak of in sommige esoteriserende enthousiasmes, maar toch al te duidelijk stoelt op een sterk dualistische zijnsopvatting. Maar het is beslist een fraaie, aanlokkelijke voorstelling.

Ook in de meest aanlokkelijke voorstelling kan een doorn schuil gaan. Immers: de wereld zoals we die dagelijks ervaren, is in de eerste plaats diepgetekend door lijden. Hoe rijmen we Boeddha met het lijdensbestaan? Hoe rijgen in één kraal Amida’s Grote Mededogen en Gautama’s Eerste Edele Waarheid?

Dergelijke opwerping is precies wat ons, doordeweekse lui, onderscheidt van de “myōkōnin”, die wat bizarre ‘heilige dwazen’ die zo karakteristiek zijn voor het Shin-Boeddhisme.

In hen valt het hoogtepunt van simpelheid van gemoed (zie zelfs het Evangelie, Matt. 5:3: “Zalig zijn de armen van geest, want hun behoort het hemelrijk”) samen met de vervulling van Wijsheid/Mededogen.

De myōkōnin is dankbaar ook voor het lijdensbestaan, ja voor het lijden zelf. Elke vorm van lijden (zowel als van vreugde) is immers een lering, is de Boeddha/leraar die tot hem spreekt. “Ook de sneeuw die op mijn ziekbed valt, komt uit het Reine Land”, dichtte nog de stervende haiku-dichter Issa.

Hoe merkwaardig toch! Die “eenvoudige lui” verbazen door hun onwetend wijs-zijn en door hun diepgaand begrip en inleven van de meest abstracte Mahayana-doctrines.

Op Hawaï had Shitoku het geluk zo iemand te ontmoeten die algemeen als myōkōnin aangezien wordt, een lieve dame ver in de negentig, met jeugdig tintelende, schalkse oogjes. D. T. Suzuki heeft haar gedichten besproken in zijn merkwaardig “Mysticism Christian and Buddhist”. Het was voor Shitoku een alleszins onthutsende ontmoeting. Hoever zijn we hier niet van de Christelijke zoetgezalfde vrouwelijke heiligen! Aan zoiets kan men het duidelijkst het fundamentele verschil tussen beide religies vaststellen.

Het aanvoelen van Amida ‘Oya-sama’ (Amida vader/moeder) als verlichting precies midden in het lijdensbestaan, is dat eigenlijk ook niet de emotieve reactie op de gelijkstelling van samsāra en nirvāna door de filosoof Nagarjuna, sleutelstuk van geheel het Mahayana-denken. Wanneer inderdaad de lijdenswereld in essentie niet verschilt van de Verlichting, dan dient men zijn dankbaarheid ook te richten op de dingen in dit lijdensbestaan!

Diezelfde D. T. Suzuki (ditmaal in “Shin Buddhism - Japan’s Major Religious Contribution to the West”) onderlijnt hoe dankbaarheid als menselijke beantwoording van het Grote Mededogen, in het Shin-Boeddhisme een waarlijk ‘theologale’ grootteorde krijgt, - een belangrijkheid allicht uniek in vergelijking met de diverse vormen van dankbaarheid die men in andere wereldbeschouwingen aantreft, zowel in het Christendom als in de andere vormen van Boeddhisme. Voor de mens is immers dankbaarheid wat het Grote Mededogen voor het Oneindige Boeddhaschap is. De Naam van het Boeddhaschap, Namu Amida Butsu, manifestatie in tijd en ruimte van de Gelofte-Kracht (alle wezens zonder onderscheid te verlossen), vindt zijn existentiële weerspiegeling in de Nembutsu, Namu Amida Butsu van dankbaarheid, welke in ‘s mensen hart door Amida opgewekt wordt.

Dankbaarheid is dan ook het meest markante gevoel voor de Shin-Boeddhist ten opzichte van de totaliteit van het bestaande, ook in het onaangename, het kwade, het verderfelijke. Zijn dankbaarheid transcendeert immers elke concept van goed of kwaad. Zegt Shinran Shōnin in Tannishō immers niet: “In het algemeen gesproken, ken ik helemaal geen verschil tussen goed en kwaad. Moest ik weten wat goed is volgens het gemoed van de Tathāgata, dan zou ik inderdaad het goede kennen; moest ik weten wat kwaad is volgens het gemoed van de Tathāgata, dan zou ik inderdaad het kwade kennen. Maar in deze wereld van veranderlijkheid, dit brandende huis voor de dwaze met passies gevulde mens, daar is dat allemaal ijdelheid en onzinnig gepraat.”

Dankbaarheid, als Boeddhistische ‘theologale’ deugd, richt zich op alle wezens zonder enig onderscheid. Toch is de alledaagse mens daartoe niet in staat. Hoe moeilijk is voor ons dankbaar te zijn zelfs tegenover de wezens die ons het nauwst aan het hart liggen! Dankbaar zijn: voor onze ouders, voor onze naastbestaanden, voor het landschap waarin we leven, voor de zon die ons licht en leven schenkt, voor onze onderwijzers, leraars, geleerden, politici…

De hedendaagse maatschappij, met haar zenuwachtig opblazen van alle “ik”-denken (meestal onder bedrieglijke slogans als “sport”, “entrepreneurschap”, “zelfverwerkelijking” e.d.m.) verzet zich met hand en tand tegen elke vorm van (onbetaalde) dankbaarheid. Het ‘opeisen’ neemt de plaats in die het ‘danken’ toekomt; het ‘krijgen’ onderdrukt het ‘schenken’; de ‘verworven rechten’ brengen de ‘natuurlijke plichten’ tot stilzwijgen. Waar blijft er dan nog plaats over voor zoiets vaags en nutteloos als dankbaarheid zonder bijbedoelingen?

Hier zien we hoe on-werelds het Boeddhisme inderdaad is. Hoe on-modern en hoe a-psychologisch het Shin-Boeddhisme is, waar zo sterk de nadruk wordt gelegd op de dankbaarheid en toch zo weinig op onmiddellijk en voyant succes!

Shinran Shōnin zei daarvan het meest markante voorbeeld. Hij wordt verbannen; hem wordt het zwijgen opgelegd; hij heeft geen tempel, geen organisatie, geen Pope-mobil en geen Rolls-Royces. Maar geheel zijn werk loopt over van dankgevoelens voor de Boeddha’s en voor de Bodhisattva’s, voor de leraars en de patriarchen, voor zijn meester Hōnen vooral, ook al deelt hij niet in alles diens visie.

Dit laatste is van belang voor wie de houding in het leven van de Shin-Boeddhist wil verstaan: dankbaarheid is niet blind overnemen of navolgen. Ik moet elk moordenaar dankbaar zijn voor de les in Boeddhisme die hij (allicht buiten zijn weten om) aan mij geeft, - maar niet hèm moet ik navolgen, wèl de Boeddha-leer! Anders gezegd: onze dankbaarheid moet primeren boven het voorwerp van onze dankbaarheid, het ding, het wezen, de persoon tot wie onze dankbaarheid zich richt.

Daarom danken we onze meester voor hetgeen hij ons heeft geleerd, voor de raadgevingen die hij ons gegeven heeft. We hoeven hem niet te danken omdat hij vegetariër, kettingroker, alkoholieker, asceet, vrouwenloper, pederast, astroloog, communist, nazi enz. is. Wat in onze dankbetuiging van belang is, dat is het Dharma-inzicht dat hij ons mededeelde.

In Rennyo Shōnins Belijdenis horen we als besluit: “We spreken hierbij onze dank uit, voor de Stichter Shinran Shōnin en de meesters die hem opgevolgd hebben, en bevestigen hier bij ons voornemen het door hen getoonde pad te volgen.”

Bij dit jaarsbegin, spreekt Shitoku zijn persoonlijke dank uit voor de rijkdom die hij mocht ontvangen van Amida en van Gautama, van de Meesters uit Oost en West, van de Wijzen en Patriarchen van het Kleine en van het Grote Voertuig, van Shinran Shōnin en zijn opvolgers tot en met Zenmon Kosho Ohtani en de huidige Go-Monshu, - maar ook voor zijn ouders en voorouders, zijn gezin, zijn vrienden hier in Europa, in Japan, Hawaï en het vastelandse Amerika, - zijn dorps-, lands- en wereldgenoten, de hele mensheid met al het grootste dat ze gepresteerd heeft maar ook voor haar verdorvenheden en narigheden van alle slag, voor de dieren, de planten, de goden en geesten, de engelen en de demonen, - voor de boeken, de muziek, het rode avondlicht dat over de bergen streelt, de buizerd die zijn prooi zoekt, het opstuivende zand, de rotsen, de oceanen, de sterren, de verre onzichtbare melkwegstelsels.

En vooral, nu ter gelegenheid van 13 januari, het gedenken van Zuiken Saizo Inagaki, een heel bijzondere stroom van dankbaarheid voor Shitoku’s ‘zenjishiki’, Dharmavriend en -leraar. NAMU AMIDA BUTSU.

Ekō 32

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

            home