Myogo, de Naam van Amida Buddha

Arai

In deze bijdrage zou ik graag de betekenis en de functie van de Myogo, de Naam van Amida Buddha, willen verduidelijken.

In het begin van het hoofdstuk “Praktijk” van de Kyogyoshinsho, is er een passage die zegt: “de Grote Praktijk betekent het uitspreken van de naam van de Tathagata van het Hinderloze Licht”. Shinran citeert tevens een passage uit de grote Sutra: “Wat betreft de kracht van de Voortijdelijke Gelofte van die Boeddha, iedereen die zijn Naam gehoord heeft en verlangt in zijn land geboren te worden, zal dit land bereiken en de toestand van niet-terugvallen verwezenlijken.”

Het is niet overdreven te stellen dat de Myogo, de Naam, het scharnierpunt van geheel de Jodo-Shinshu doctrine is. Nu is mijn vraag in hoeverre de Myogo kan “vertaald” worden als een religieus symbool in de Westerse context en, zo dit mogelijk is, wat het dan betekent verlost te worden door het uitspreken van de Myogo.

De Hongwanji-school verklaart de Myogo met de termen “hottai-myogo” (de Naam als Essentie van de Dharma) en “myotai-funi” (de Onafscheidbaarheid van de Naam en de Essentie). De zin van deze termen is dat, aangezien Amida Buddha geheel zijn werkzaamheid heeft gelegd in zijn Naam, NAMU AMIDA BUTSU, de Myogo inderdaad de voortijdelijke Gelofte is. Daardoor is de Myogo altijd werkzaam op de levende wezens ten einde ze te verlossen, ongeacht of ze de Naam uitspreken of niet. Terwijl gewone namen niet volledig kunnen uitdrukken waarvoor ze gebruikt worden, kan de Myogo dit wèl doen dank zij Amida’s werkzaamheid.

Ofschoon deze uitleg volkomen begrijpelijk is in het licht van Shinrans geschriften, bestaat het gevaar dat hij de indruk kan wekken dat de Myogo een entiteit (‘monogara’) is welke bestaat buiten de wezens die erdoor dienen verlost te worden.

Anderzijds bepaalt Rijin Yasuda, van de Otani-school, de Myogo als een symbool, in de zin dat de Voortijdelijke Gelofte, die vormloos is, het ontstaan heeft gegeven aan een vorm die men dan de Myogo noemt. In zijn “Hajime ni Myogo Ari” (In den Beginne was de Naam), zegt hij dat, ofschoon de Voortijdelijke Gelofte ontstaan heeft gegeven aan de vorm welke de Myogo genoemd wordt, die gelofte enkel in de Myogo bestaat. Het vormloze wordt a.h.w. “gered” door de vorm. In deze zin bestaat de Myogo vóór de Voortijdelijke Gelofte. Yasuda vervolgt met te stellen dat de werkelijkheid slechts werkelijkheid wordt wanneer ze zich manifesteert met betrekking tot de mens: daardoor wordt Namu Amida Butsu eerst werkelijkheid wanneer de levende wezens de Myogo uitspreken.

Yasuda’s aanpak van de Myogo is gebaseerd op zijn persoonlijke religieuze ervaring en heeft een sterk overtuigende kracht. Nochtans houdt precies dit een zwak punt in: het klinkt veel te subjectief. Om de lering van de Jōdo-Shinshū buiten de Japanse culturele sfeer uiteen te zetten, zou een meer logische, objectieve verklaring wenselijk zijn.

Professor Takamaro Shigaraki, van de Ryukoku Universiteit, beschouwt eveneens de Myogo als een religieus symbool. Door Paul Tillichs bepaling van religieuze symbolen op de Myogo toe te passen, stelt hij dat de Myogo wijst op een absolute realiteit waaraan hij deelachtig is, zonder er evenwel ooit identisch mee te worden. Ofschoon deze aanpak zeer verlokkelijk is, bestaat er toch een zeker gevaar in Tillichs bepaling te gebruiken voor een verklaring van de Myogo. Voor Tillich is immers God de bron van alle heiligheid en heilige dingen, waartoe ook de religieuze symbolen behoren, zijn heilig vermits ze naar God verwijzen. Hij gelooft dan ook niet aan een dimensie waarin het symbool en het gesymboliseerde één worden. Tillich legt er de nadruk op dat enkel God behoort tot de metafysische wereld, dan wanneer alle religieuze symbolen tekenen zijn van een fysisch, werelds bestaan. De gevolgtrekking van het toepassen van Tillichs definitie van religieuze symbolen op de Myogo is dat de Myogo een duider is van absolute realiteit, maar er nooit identisch aan wordt.

Nochtans is dit standpunt strijdig met Shinrans uitspraak in Mattosho (hoofdstuk 9): “Ofschoon we praten over de Voortijdelijke Gelofte en over de Myogo, verschillen ze niet van elkaar. Er is geen Myogo afgescheiden van de Voortijdelijke Gelofte; er is geen Voortijdelijke Gelofte afgescheiden van de Myogo.” Ook in Kyogyoshinsho wordt gezegd: “De centrale bedoeling van de Grote Sutra is de Voortijdelijke Gelofte van de Tathagata duidelijk te maken; de essentie van de Sutra is de Myogo van de Boeddha.” Dit betekent dat de Voortijdelijke Gelofte en de Myogo van elkaar niet af te scheiden zijn in het bereik van de religieuze ervaring.

Al die verschillende opvattingen over de Myogo vinden in Shinrans geschriften een zekere grond. De verschillen in opvatting ontstaan eigenlijk uit het feit dat elk van die inzichten een klemtoon legt op één bepaald aspect van de Myogo en andere aspecten minimiseert. Mijn persoonlijk standpunt is dat de Myogo fundamenteel een “naam” is. Een naam zijnde, duidt hij op een zekere verborgen realiteit, maar heeft hij geen eigen vaste eigenschappen. Daarom, als hij verschijnt b.v. in kinderliedjes en kinderspelen, dan is Namu Amida Butsu enkel een teken dat op een zekere gemoedstoestand wijst. Maar voor de overtuigde Shin-Boeddhist, is hij een heilige naam die naar diepere niveaus van religieuze beleving leidt. In deze zin kan de Myogo inderdaad een religieus symbool naar Tillichs definitie zijn.

In dit verband, dient gewezen te worden op wat Shinran zegt in zijn Jinen-honi sho: “Amida Buddha is een geschikt middel waardoor de wezens in kennis gebracht worden van de werkzaamheid van jinen.” Om het letterlijk te zeggen: dit betekent dat Amida Buddha en zijn naam slechts symbolen zijn voor een absolute realiteit die diverse namen gekregen heeft, als jinen, hossho hosshin, shinjitsu, enz. Nochtans, zolang we de Myogo zien als enkel een wijsvinger die duidt naar realiteit en we trachten die realiteit te bereiken door middel van de kracht van de Myogo, blijft er een grote tijdruimtelijke afstand tussen het symbool en het gesymboliseerde. Zo b.v. zegt de Amida-kyo dat er een afstand is van tien triljoenen Boeddhalanden tussen onze Shaba-wereld en Amida’s Reine Land; wanneer we zijn naam elke dag en op elk ogenblik, zonder onderbreking in eenheid van gedachte uitspreken, dan zullen we op het moment van onze lichamelijke dood door Amida onthaald worden. Op dit niveau van nembutsu (de nembutsu van de 2Oste Gelofte geheten), wordt de Myogo behandeld als afgescheiden van elke realiteit.

De Myogo heeft evenwel een andere dimensie, waarin hij waargenomen wordt als eenheid met de Voortijdelijke Gelofte. Hier divergeert de Myogo beslist van Tillichs bepaling van religieus symbolisme. In deze dimensie, wanneer de nembutsu-beoefenaar de Myogo uitspreekt, wordt hij a.h.w. automatisch en simultaan gegrepen door Amida’s Voortijdelijke Gelofte en verblijft hij in absolute realiteit. Met andere woorden: indien de Myogo waarlijk een duider naar realiteit is, dan is de realiteit eerst actueel wanneer de Myogo uitgesproken wordt.

De onafscheidbaarheid van de Voortijdelijke Gelofte en de Myogo wordt vaak uitgedrukt door het teken “soku”, dat uiterste kortheid en snelheid in tijdsgebeuren uitdrukt tussen het uitspreken van de Myogo en het verwezenlijken van Geboorte in het Reine Land. De Passage over de Vervulling van de Achttiende Gelofte zegt: “Alle levende wezens die de Naam gehoord hebben, zullen in vertrouwen verblijden, al is het maar één ogenblik; dit wordt veroorzaakt door het gemoed van oprechtheid van de Tathagata. Verlangen zij in zijn land geboren te worden, dan zullen zij ogenblikkelijk aldaar de geboorte verwezenlijken (‘soku-toku-o-jo’) en in de toestand van niet-terugvallen verblijven”. In het hoofdstuk over de Praktijk (in Kyogyoshinsho) treffen we het citaat aan: “Het schriftteken soku verduidelijkt de uiterste snelheid van tijd voor het bepalen van de ware grond voor geboorte in het Beloningsland.” Ook in het eerste hoofdstuk van Tannisho lezen we:

“Wanneer de gedachte de nembutsu uit te spreken in ons oprijst met de diepe verzekering dat we de geboorte in het Reine Land zullen verwezenlijken, doordat we gered worden door de onverwoordbare en ondenkbare Gelofte van Amida Buddha, op dat zelfde ogenblik ontvangen we de weldaad van gegrepen om nooit meer losgelaten te worden.”

Al deze citaten tonen aan dat, op het vlak van de Achttiende Gelofte, d.i. op het werkelijk religieuze, metafysische niveau, het horen en het uitspreken van de nembutsu de belevenis van de Voortijdelijke Gelofte IS.

De antropoloog Raymond Firth gebruikt de term “supersymbool” voor het type van religieus symbool dat eenmaking van symbool en gesymboliseerde veroorzaakt. Onder zijn voorbeelden, citeert hij de transsubstantiatie in het Katholicisme. Dit betekent dat bij het Avondmaal, ogenblikkelijk en simultaan met de woorden van de priester, brood en wijn veranderd worden in het vlees en bloed van Jezus Christus. Dit wonder gebeurt tijdens een rite waarbij enkel de ware gelovigen aanwezig zijn, d.i. het wonder geschiedt enkel ten opzichte van de ware gelovigen. De Rooms Katholieke orthodoxie verklaart hoe, ondanks het feit dat brood en wijn hun oorspronkelijke vorm blijven behouden, hun substantie volkomen vervangen wordt door het vlees en bloed van Christus.

De Myogo van de Achttiende Gelofte kan niet gerangschikt worden bij de religieuze symbolen in de conventionele zin. We zouden hem een “supersymbool” of “meta-symbool” kunnen noemen, in de zin dat hij tijd en ruimte tussen symbool en gesymboliseerde transcendeert. Shinran gebruikt voor dit verschijnsel het concept “ocho”: ‘dwarse sprong’, waarbij de afstand tussen onze Shaba-wereld en het Reine Land door het uitspreken van de Naam tot nul herleid wordt.

Men zegt dat sommige personen, die men “myokonin” noemt, bij machte zijn de werkzaamheid van de Voortijdelijke Gelofte onmiddellijk te zien zodra zij symbolen als de Myogo zien of horen, of ook Boeddhabeelden of zelfs mensen en dieren. Met andere woorden, ze zouden bij machte zijn sommige tekenen te ‘activeren’, waardoor voorwerpen en levende wezens ervaren worden als manifestaties van Amida’s Gelofte. Bij voorbeeld:

Telkens een gedachte aan Amida’s Mededogen Shoma trof terwijl hij strosandalen of iets anders aan het vlechten was, liet hij alles vallen, sprong op naar zijn woonkamer, opende het luik van het Boeddha-altaar en riep tegen het beeld “Foei! Foei!”.

Tijdens dit moment van religieuze verrukking, ziet hij geen onderscheid tussen het beeld en de werkelijke Boeddha. Op dat ogenblik IS het beeld inderdaad de Boeddha. Op een andere keer, wanneer Shoma vlak voorbij een hond ging, zei hij tot het dier: “Gelieve mij te verontschuldigen!”; de monnik die met hem meeliep, vond zoiets ongepast en verweet hem: “Maar wie ter wereld groet nu een hond?”. Waarop Shoma antwoordde: “Ik heb die hond helemaal niet gegroet. Maar toen ik er opeens aan dacht dat ook die hond onder de levende wezens in de tien richtingen was en ook omvat was door Amida’s Gelofte, dan kon ik me niet weerhouden “Gelieve mij te verontschuldigen!“ tegen de Voortijdelijke Gelofte te zeggen.” Het verhaal toont dat, toen hij de hond groette, er geen gaping was tussen de hond en de Voortijdelijke Gelofte; maar toen hij verplicht was zich te verklaren, hij wel genoodzaakt was een onderscheid te maken tussen het symbool en het gesymboliseerde. Het volgende is een gedicht van een andere ‘myōkōnin’, Saiichi:

Hoe groot toch is Namu-Amida-Butsu!
Ik word gedragen door Namu-Amida-Butsu
Ik word gevoed door Namu-Amida-Butsu
Namu-Amida-Butsu is mijn vader-en-moeder
Ik ben uw kind.

Dit gedicht toont hoe in Saiichi’s geest de Myōgō synoniem is met de Voortijdelijke Gelofte. Nog Saiichi:

Ik ben door uw Zes-Tekens-kogel neergeschoten
Hij trof me midden in de lever
En knalde er Namu-Amida-Butsu.

In dit gedicht toont Saiichi zijn besef dat de Voortijdelijke Gelofte zich manifesteerde onder de vorm Namu Amida Butsu. Voor hem IS de Myōgō de Voortijdelijke Gelofte en IS de Voortijdelijke Gelofte de Myōgō.

De beroemde hedendaagse Shin-Boeddhistische auteur Jokan Chikazumi schrijft als volgt:

“Deze nembutsu is totaal de Voortijdelijke Gelofte. Hij is de Boeddha zelf. HIJ is Namu Amida Butsu. De Boeddha’s talrijker dan de zandkorrels van de Ganges zijn in de werelden in de tien richtingen verschenen om er de leringen van de Voortijdelijke Gelofte van Namu Amida Butsu te verkondigen, en Shakyamuni is één onder hen… Alle leringen die tijdens het leven geleerd kunnen worden en alle zenchishiki (Dharma-vriend en -leraar) zijn niets anders dan Namu Amida Butsu.”

Voor Chikazumi zijn alle dingen en alle personen die hem tot het nembutsu-leven gebracht hebben, Namu Amida Butsu.

In de geest van de nembutsu-beoefenaars bestaat er a.h.w. een paradox, nI. het gelijktijdig aanwezig zijn van de gelijkheid “De Myōgō is de Voortijdelijke Gelofte” en van de ongelijkheid “De Myōgō is NIET de Voortijdelijke Gelofte”. Toch zijn deze twee niet tegenstrijdig. Met andere woorden, die beoefenaars zijn niet gehecht, zelfs niet aan de Myōgō! Zo b.v. klaagde de huisvrouw van het huis waar Shoma verbleef erover dat ze geen hout voor het vuur had, waarop Shoma haar zei dat ze maar naar het Boeddha-altaar moest gaan en dààr hout halen. Hier behandelt Shoma beeld en altaar van de Boeddha als levensloze symbolen. Dat staat natuurlijk in fel contrast met het vorige verhaal waar hij tot het Boeddhabeeld sprak als tot de echte Boeddha. Op een andere keer, toen de hoofdpriester van de Koshoji tempel hem vroeg de toestand van ‘shinjin’ uit te drukken, zei Shoma: “Nan to mo nai” (Er is niets bijzonders aan). Dit houdt in dat Shoma het niveau van het nembutsu-reciteren voorbij was en dat hij elk aspect in het leven kon zien als manifestatie van de Voortijdelijke Gelofte.

Ook Saiichi heeft deze zelfde toestand van bewustzijn uitgedrukt:

Ik, Saiichi, ben gelukkig
Er is niets om me over te bekommeren
Er is zelfs geen noodzaak de nembutsu te zeggen
Gered door uw Mededogen
Hoe gelukkig ben ik uw gunst ontvangen te hebben,
Namu Amida Butsu

of:

Voor mij, Saiichi, is er enkel de vreugde niets te bezitten
Niets anders dan dat er niets is
Alles, het goede en het kwade, is van mij afgenomen
Er is niets meer.

Shoma’s “Nan to mo nai” en Saiichi’s “Nan ni mo nai” (‘er is niets meer’) zijn uitdrukkingen van volkomen bevrijding uit gehechtheid. In deze geestestoestand is het uitspreken van de Myōgō enkel nog uitdrukking van dankbaarheid. Dit is dan de uiteindelijke dimensie van de Myōgō; hij is terug Naam geworden waarin de Voortijdelijke Gelofte gesymboliseerd wordt.

In zijn Jinen-honi-sho zegt Shinran dat zowel jinen als honi duiden op Amida’s werkzaamheid doorheen de Voortijdelijke Gelofte welke de wezens tot de verlossing brengt en laat brengen:

Aangezien honi de werkzaamheid van de Voortijdelijke Gelofte is, en aangezien het de berekenende geest van de beoefenaar overtreft, dient men goed te beseffen dat in tariki geen-betekenis de betekenis is. Jinen is een woord dat overeenstemt met “fundamenteel veroorzakende te zijn”. Door Namu Amida Butsu te zeggen, geeft Amida Buddha de verzekering dat de wezens verlost worden zonder dat er rekening gehouden wordt met hun eigen berekeningen. Jinen overtreft immers elk denken in goed en kwaad.

Het tiende hoofdstuk van Tannishō luidt: “In de nembutsu is geen-betekenis de betekenis, want hij is onbeschrijflijk, onverklaarbaar en onverwoordbaar.” De Myōgō als een naam heeft geen vaste betekenis behalve voor zijn letterlijke betekenis. Toch heeft hij talloze betekenissen naar gelang van het niveau van de religieuze beleving van de nembutsu-beoefenaar.

Men zou deze betekenissen in vier categorieën kunnen groeperen. Eerst de Myōgō als teken, wanneer hij voorkomt in toneelspelen en kinderliedjes; ten tweede, de Myōgō als symbool in de conventionele betekenis, duidend op een religieuze realiteit die verborgen blijft voor onze alledaagse ervaring; ten derde, de Myōgō als supersymbool, dat kan aangezien worden als de Voortijdelijke Gelofte zelf; en ten slotte, de Myōgō als Amida Buddha’s Naam die de Voortijdelijke Gelofte symboliseert zodra de Myōgō uitgesproken wordt als een onberekende daad van dankbaarheid. Men zou trouwens nog een andere dimensie kunnen bijvoegen, zoals Shinran zegt in Tannishō: men wordt bevrijd “tada nembutsu shite”, door het zeggen van de nembutsu alleen. Dit omvat en overtreft alle voorgaande categorieën.

Vooral dat Shinran zei: “Men moet niet discussiëren over jinen. Doet men het, dan krijgt de zin ‘geen-betekenis is de betekenis’ een betekenis.”

Het is met deze wijze woorden dat mijn op berekenend denken gebaseerde discussie ten einde loopt.

Ekō 32

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

            home