Boeddha’s Doopfeest

K. Petit

Volgens het volksgeloof zouden, bij de geboorte van Boeddha Shakyamuni - waarvan de biografie verloren loopt in een waas van legendes - vanuit de hemel twee waterhozen, een warme en een koele, neergestroomd zijn om moeder en kind te wassen.

Nadien zou de toekomstige Boeddha met de ene hand naar de hemel, met de andere naar de aarde gewezen hebben. Deze mudra wordt als volgt verklaard: na zevenmaal* in een cirkel rondgewandeld te hebben, zou hij naar de vier windrichtingen gekeken hebben, daarbij plechtig uitsprekend: “In de hemel en onder de hemel ben ik alleen huldewaardig”. Een andere bron vermeldt dat hij zou gezegd hebben: “Ik ben het opperste wezen in deze wereld, het beste wezen in deze wereld, de eerste in deze wereld.”

Ofschoon men gerust aan de authenticiteit van deze symbolische gebaren en hooghartige woorden mag twijfelen, toch is het noodzakelijk ze te vermelden. Inderdaad, de mooie Kanbutsu-ceremonie, de “Boeddha-doop”, in Japan daterend van het jaar 840, herdenkt elk jaar deze gebeurtenis op de achtste dag van de vierde maand, zowel bij de boeddhistische lekenverenigingen als in de belangrijke tempels gewijd aan de Verhevene.

Meer dan één dichter werd er trouwens door geïnspireerd. Aldus schrijft Wei Fung-tsai (1803-1871), van Chinese oorsprong, in een gedicht gewijd aan het “bad van de kleine Boeddha”: “De vooravond van de achtste dag van de vierde maan, is elk klooster een grote lichttoorts in de religieuze nacht.” En daarbij spreekt hij ook meelijdend over de novicen die deze vrome plechtigheid bijwonen. Want deze jongelui kijken niet zonder enige bezorgdheid naar de drie met wierook doordrongen tondelkegeltjes die de abt over enige ogenblikken brandend op hun hoofd zal plaatsen, waar ze stilletjes opbranden… Deze kegeltjes symboliseren, zo zegt men, de Drievoudige Toevlucht of de drie delen van de Kanon, die men gewoonlijk de Drie Manden noemt.

Maar de meest spectaculaire en kleurrijke ceremonie is ongetwijfeld deze die ook tegenwoordig nog, plaats grijpt in de grote Asakusa-tempel te Tokyo. Men vereert daar o.m. een piepklein bronzen beeldje dat Tanjō-butsu, letterlijk “Geboorte van Boeddha” genaamd wordt. Dit beeldje stelt de pasgeboren bodhisattva voor, met de ene arm boven het hoofd met de wijsvinger naar de hemel wijzend, en de andere arm neerhangend langs het lichaam.

Terwijl dit beeldje rondgedragen wordt door in het wit geklede personen, blazen priesters die yamabushi of “bergheiligen”, monniken van de Shugendō-sekte die als kluizenaars leven op de Omine-berg, in reusachtige schelpen.

Een groep weelderig geklede priesters onthaalt die processie bij de ingang van het Hibiya-park, waar in zijden kimono’s geklede kinderen van de boeddhistische zondagsschool ze opwacht. Vervolgens gaat iedereen stoetsgewijze naar het midden van het park waar op een verhoog de Hanamido of “bloementempel” opgericht werd, een soort rijkelijk met bloemen versierd schrijn.

De eigenlijke ceremonie begint wanneer geestelijken het gordijn van goudbrokaat verwijderen, waardoor het kleine beeldje van de toekomstige Boeddha zichtbaar wordt. Dat is dan meteen het ogenblik van het traditionele aanbieden van bloemen en wierook. Voor de oorlog zong de menigte vervolgens het nationale volkslied Kimigayo (“De Heerschappij van onze Keizer”) met de plechtige begeleiding van koperblazers. Nadien werden dan boodschappen voorgelezen en liederen gezongen door de aanwezige kinderen.

Dan is het de beurt aan de priesters, om enkele sutra’s te reciteren; tijdens deze lezing waarbij de eeuwige vrede opgeroepen wordt, voeren kinderen van vijf tot acht jaar dansen en ritmische bewegingen uit ter ere van de kleine Boeddha in zijn bloemenrijk decor. Het is om deze reden dat men aan deze openbare huldiging van de geboorte van de Verhevene ook de naam Hana-matsuri, “Feest van de Bloemen”, geeft. In het Land van de Rijzende Zon is dit feest de aanzet van de prachtige tijd van de bloeiende kerselaren.

Tijdens deze ceremonie en ten teken van toewijding, gieten de gelovigen eerbiedig met bamboepollepeltjes wat gesuikerde thee over het beeldje. Sommigen geloven dat deze thee hierdoor gewijd is en drinken er ingetogen enkele teugen van op.

Dit is voor bijgelovige personen die lijden aan een of andere kwaal, een ongeduldig verbeide gelegenheid: ze dompelen hun vingers in de vloeistof en drukken ze dan op die plaats van het beeldje die overeenstemt met de plaats van hun eigen lichaam waaraan ze lijden, met de hoop op deze wijze genezing van hun kwaal te bekomen.

Maar is het niet zo dat in het Westen de heiligenverering, gisteren zowel als vandaag nog, aanleiding geeft tot dergelijke praktijken?

------

* – Herinneren we eraan dat “zeven” een mystiek getal en een bij uitstek fundamenteel cijfer is. In heel wat godsdiensten bezit het een bijzonder belang als symbool. De zeven “rondwandelingen” van baby Shakyamuni zouden de “zeven passies” verbeelden welke hij gedurende zijn aards bestaan zou dienen te overwinnen. De moeder van de toekomstige Boeddha zou zeven dagen na zijn geboorte overleden zijn. In India is het nog steeds gebruikelijk zevenmaal rondom de lijkbrandstapel te wandelen.

N.B. De inhoud van sommige delen van dit artikel werd ontleend aan Tamotsu Iwado’s werk “Children’s Days in Japan”, Tokyo, 1936.

Ekō 33

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

            home