In de Avatamsaka-sutra leest men hoe de jonge man Sudhana, op zoek naar de verlichting, een lange levensreis doorloopt en daarbij bij niet minder dan 53 leraars aanklopt om van hen de juiste weg naar het nirvana te vernemen.
In eerbiedige en dankbare nederigheid hoort hij van hen de Leer.
Ook Gautama Buddha betuigde zo een dankbaarheid aan zijn leraars. Sindsdien is het een boeddhistisch feit dat de diepe inhoud van de Dharma overgedragen wordt in de band tussen leraar en discipel. Dat is zo in alle scholen. Maar die “leraar” is geen ‘lesgever’, wèl een ‘dharma-vriend’: de kalyana-mitra (de ‘deugdvriend’), een “zenjishiki” (een ‘goede kennis’). Het is de relatie meester-discipel die borg staat voor de vlotte overdracht van de Leer. De ware boeddhist ontvangt de Leer via het onderricht dat een wijzere hem geeft. Dit ontvangen van de Leer wekt in hem nederigheid op. Voldoet het onderricht hem niet meer, dan staat het hem Vrij een ander meester op te zoeken, maar dit doet geen afbreuk aan het gevoel van dankbaarheid. Want wie wil, leert steeds.
Het is zeker niet zo dat iemand uit zichzelf en op heel eigen houtje de Dharma kan doorgronden. Niemand kan erop staan zijn eigen leermeester te zijn. Dergelijke opvatting kan enkel ontstaan uit hoogmoed en zelf-overschatting, zelf-opblazing, ik-verwaandheid.
Wanneer men in het Shin-Boeddhisme hoort dat er twee gevoelens zijn die de Nembutsu-mens sieren, dan zijn dat dankbaarheid en nederigheid. Dankbaarheid voor het ontvangen van Amida’s onvoorwaardelijk Mededogen, maar nederigheid uit het besef van eigen onvermogen en eigen onwetendheid: hoe klein is onze “wijsheid” toch vergeleken bij die van de Boeddha; hoe halfslachtig is het mededogen dat wij aan de dag leggen (en er nog mee pronken ook!) bij het grote Mededogen van Amida’s Voortijdelijke Gelofte.
Nederigheid en eerbied voor de zenjishiki houdt echter niet in dat men elke vorm van persoonlijk denken, afwegen, ervaren en beleven afsluit om beaat in te gaan in de woorden van de meester. Nederigheid houdt geen uitsluiten van kritische zin in. De zenjishiki zal er trouwens veelmeer op rekenen dat zijn discipel volwaardig gebruik maakt van de lering. De zenjishiki kent immers ook de eigen grenzen. De discipel krijgt tot taak wat hij van zijn meester ontvangen heeft, op zijn eigen niveau verder te verwerken.
Leerzaam hierover is de verhouding tussen Meester Hōnen en discipel Shinran. Shinran Shōnin heeft dankbaar het Nembutsu-onderricht van zijn zenjishiki in zich opgenomen en is zijn leven lang hiervoor dankbaar gebleven. Toch kan men niet beweren dat Shinran klakkeloos alles overgenomen van Hōnen: verre van daar. Maar evenmin is hij er ooit prat op gegaan een eigen leersysteem uit te werken.
Wanneer men de zenjishiki gevonden heeft waardoor het eigen zoeken afgerond werd, blijft de band bestaan. Vooral wanneer de meester (in het Frans heel duidelijk: “maître à penser”!) niet meer tot deze wereld behoort, ervaart de discipel nog sterker de waarde van het ontvangen onderricht en de ontvangen steun. Vindt de discipel geen ander persoon die de plaats van de meester kan innemen, dan blijft de gedachtenis de functie van leraar vervullen. Hierbij denkt Shitoku met dankbaarheid aan Inagaki Zuiken.
De grote leermeester blijft evenwel steeds Amida’s Nembutsu. Luistert men naar het opwellen van de Naam, dan hoort men Amida’s woordeloze stem. Hoe kan dan nog hoogmoed in het hart blijven woekeren?
|
|
|
|
|
|
Ekō 35 |
|
© 2004 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |