Vrienden Boeddhisten, Mevrouwen, mijne Heren,
Het is voor mij een groot genoegen in de gelegenheid te zijn nogmaals in deze middeleeuwse, historisch rijke stad te vertoeven voor de Vierde Europese Shin Conferentie en tevens voor de inhuldiging van de Jikōji Tempel. Ik ben hier al vroeger geweest, in 1980, toen de Eerste Europese Shin Conferentie gehouden werd in dezelfde tempel, die toen echter een ander huis betrok. Het is mij een grote vreugde u terug te zien en u te spreken over een bepaald aspect van de Jōdo-Shinshū leer.
De leer van de Jōdo-Shinshū, in het westen ook bekend onder de benaming Shin-Boeddhisme, is gebaseerd op de drie Reine-Landsūtra’s, de geschriften van de Zeven Patriarchen uit India, China en Japan, en op de geschriften van de Stichter Shinran Shōnin. Ofschoon twee van die drie sūtra’s zowel in het Sanskriet als in het Tibetaans en het Chinees bestaan, toch wordt in de traditionele Shin-Boeddhistische studies hoofdzakelijk gebruik gemaakt van geschriften in het Chinees en het Japans. Deze teksten zijn beslist niet makkelijk te lezen, ook niet voor geboren Japanners, doordat elke term, elke uitdrukking, elke zin volkomen ingebed is in een complex netwerk van leersystemen die zich ontwikkeld hebben in India, in China en in Japan. Ik moet eerlijk toegeven dat een gehele leven niet volstaat om het geheel van de Reine-Landschrifturen te lezen en te bestuderen.
In tegenstelling tot het hooggesofistikeerde leerstelsel van de Jōdo-Shinshū is het levende principe van het vertrouwen voor iedereen toegankelijk. Zelfs een ongeletterd persoon kan dit vertrouwen hebben en zo het heil verwezenlijken. Zelfs wanneer men geen Japanse woorden kent, kan men Amida’s mededogen verwezenlijken en een leven in de Nembutsu leiden, wat u dan zal voeren naar het Reine Land, de Sfeer van Nirvāna.
Voor vandaag heb ik een tekst gekozen waarin u de diepe leer van de Jōdo-Shinshū en Shinrans vertrouwen aantreft. Deze tekst is Tannishō. Ik meen dat de meesten onder u al wel Tannishō gelezen hebben of erover hebben gehoord. Het is in Japan een van de meest gelezen klassieke teksten en het is vertaald geworden in verschillende talen. Er bestaan al meer dan 10 Engelse, vier Duitse en vijf Franse vertalingen. Hier heb ik de meest recente Franse vertaling, die van Rev. Jérôme Ducor (die hier aanwezig is) en ook een Esperanto vertaling, beide uitgegeven door de International Association of Buddhist Culture, te Kyoto.
Bovendien heb ik vernomen dat Rev. Shitoku Peel bezig is met een Nederlandse vertaling van de tekst, zodat ik hoop dat u weldra Tannishō zal kunnen lezen in uw moedertaal.
Tannishō werd rond het einde van de 13de eeuw, de tijd dat Antwerpen een “vrije stad” werd, geschreven door Yuien, een volgeling van Shinran Shōnin. De reden hiervoor was dat de auteur diep bedroefd was door verkeerde inzichten welke verbreid werden onder de discipelen van Shinran Shōnin na diens heengaan. Om deze afwijkingen recht te trekken, schreef Yuien de woorden en citaten op die hij rechtstreeks door Shinran Shōnin had horen uitspreken. “Tan” in de titel betekent ‘betreuren’, “i” betekent ‘afwijkingen, verschillen’. In tegenstelling tot Shinran Shōnins eigen geschriften, waarin de auteur zorgvuldig zijn woorden uitkoos en zijn zinnen polijstte, is Tannishō vol opmerkingen en uitdrukkingen die zonder versiering en heel spontaan uitgesproken waren.
Er wordt gezegd dat Tannishō gedurende een lange periode niet openlijk gepubliceerd werd, uit vrees voor een verkeerd effect dat zou kunnen ontstaan uit de directe en vaak paradoxale taal die de auteur gebruikt om de afwijkende inzichten te verbeteren. Gevreesd werd dat de onvoorbereide lezer bepaalde uitdrukkingen verkeerd kon verstaan en zo in nog meer misvattingen zou kunnen vervallen. De achtste Abt van de Honganji, Rennyo Shōnin waarschuwde er zelfs voor dit boek niet te tonen aan hen die karmisch “heilzame verdiensten misten”, m.a.w. diegenen die niet rijp genoeg en geschikt waren om de leer te vatten. Nu dat de tekst voor iedereen toegankelijk is, hetzij in de oorspronkelijke taal, hetzij in vertaling, mag men zonder overdrijving stellen dat het boek een van de spirituele hoogtepunten van de gehele mensheid geworden is. Mijn ernstige hoop is dat verstandige lezers de leer op de juiste manier zullen begrijpen en zo naar hun eigen heil zullen gebracht worden.
Ik had graag voor u enkele citaten uit Tannishō besproken om samen met u de boodschap van Amida Buddha te overwegen.
De aanvang van het boek zegt hierover:
“Op het ogenblik dat men vertrouwd is met de gedachte dat men, gered door de onverwoordbare werkzaamheid van Amida’s Gelofte, de Geboorte in het Reine Land verwezenlijkt, dan rijst de op het uitspreken van de Nembutsu gerichte geest op. Op datzelfde ogenblik laat Amida je deelachtig worden in de weldaad “omvat en nooit meer losgelaten” te worden. Amida’s Voortijdelijke Gelofte maakt geen onderscheid tussen oud en jong, tussen goed en kwaad. Enkel het vertrouwen (‘shinjin’) is van belang!”
Deze woorden geven de essentie van de Jōdo-Shinshū weer. Ze tonen in heldere taal het meest karakteristieke kenmerk van de Ander-Kracht leer, door te beklemtonen dat wanneer in ons gemoed het verlangen opkomt de Nembutsu uit te spreken, dat dan onze bevrijding vervuld is. Wanneer Amida’s heilskracht ons bereikt, ontstaat in ons de gedachte hem te danken door de Nembutsu uit te spreken. Het is dus niet, zoals heel wat mensen verkeerdelijk denken, dat we bevrijd worden indien we de Nembutsu uitspreken. Zoals u duidelijk kan zien, is er geen enkel element van eigen-kracht betrokken bij deze heilsprocedure. In de leer van de Ander-Kracht is Boeddha’s Gelofte alles. Daarbij wordt van ons geen enkele vorm van heilspraktijk gevraagd, zelfs niet het reciteren van de Nembutsu. En het speelt daarbij geen rol of je oud of jong, goed of slecht bent. Iedereen zonder de minste discriminatie, kan het heil bekomen.
Shinran Shōnin vervolgt dan:
“Als men zich aan de werkzaamheid van de Voortijdelijke gelofte overgeeft, dan zijn andere goede werken overbodig. Er is immers geen enkel goed werk dat de Nembutsu overtreft. Daarom vreze men het kwade niet, want geen enkel kwaad is sterk genoeg om Amida’s Voortijdelijke Gelofte tegen te werken.”
In de Jōdo-Shinshū komt het heil tot ons vooraleer we de Nembutsu zeggen! De Nembutsu is de uitdrukking van onze dankbaarheid aan Amida Buddha voor het heil. Vandaar dat we de spreuk hebben:
“Vertrouwen is de oorzaak van geboorte in het Reine Land;
Nembutsu is de uitdrukking van onze dankbaarheid.”
Laten we kort de betekenis van “Nembutsu” onderzoeken. Het is het Japanse woord voor het Sanskriet ‘Buddha-anusmrti’. Oorspronkelijk wijst het woord op de mentale handeling van concentratie en aandacht gericht op de Boeddha. In de historische evolutie van het Reine-Landdenken, waar ‘Nembutsu’ beoefend werd als een Samādhi, ‘Nembutsu Zanmai’ of ‘Kambutsu Zanmai’ genoemd, werd het woord ook meer en meer gebruikt in de betekenis van Amida’s naam “Namu Amida Butsu” te reciteren. Wanneer je de Nembutsu beoefent als een meditatie-oefening of als een louter orale daad, dan is die Nembutsu hoofdzakelijk een verdienstelijke praktijk die leidt naar geboorte in het Reine Land. Het was daarom natuurlijk dat talrijke Reine-Landmeesters in China en in Japan ijverig die Nembutsu beoefenden en deze praktijk aan hun volgelingen aanprezen. Zij reciteerden de Nembutsu honderden, ja duizenden keren per dag.
Terwijl hij weliswaar de Reine-Landleer opgebouwd rond het reciteren van de Nembutsu bleef volgen, ging Shinran Shōnin evenwel een stap verder en kwam zo tot het directe hart van Amida Buddha, die de wezens zonder onderscheid en zonder voorwaarden te stellen, tot het heil brengt. Voor Shinran Shōnin is de Nembutsu immers geen voorwaarde voor het heil, maar een natuurlijke uitdrukking van het feit, het spirituele feit dat het heil verwezenlijkt is.
In het derde hoofdstuk van Tannishō is er een uitspraak van Shinran Shōnin die in Japan grote populariteit gekregen heeft:
“Als zelfs de goede mens geboren wordt in het Reine Land, waarom dan niet de slechte mens.”
Om de draagwijdte hiervan te verklaren, vervolgt hij:
“Nochtans zeggen de mensen in de wereld gewoonlijk: “Als zelfs de slechte mens geboren wordt in het Reine Land, waarom dan niet de goede mens? Zulke uitspraak lijkt op het eerste gezicht gefundeerd, maar toch is dit in tegenspraak met de zin van de Ander-Kracht van de Voortijdelijke Gelofte. De reden hiervoor is dat de goede mens poogt het heil op eigen kracht te verwezenlijken en dus het absolute vertrouwen in de Ander-Kracht mist. Wanneer evenwel iemand, in het besef van de eigen slechte natuur, zich van de eigen-kracht afkeert, dan is hem geboorte in het Reine Land verzekerd. Voor ons, vol blinde begeertes, welke ook onze praktijk moge zijn, kan er jammer genoeg geen bevrijding uit geboorte-en-dood zijn. Maar de hoofdbedoeling van Amida’s Gelofte is precies het boeddha-worden van de slechte mens.”
Deze uitspraak van Shinran Shōnin verwijst naar de courante misvatting van het ‘gezonde verstand’ en onthult de grenzeloosheid van Amida’s mededogen en de ware zin van zijn gelofte. Deze uitspraken strijdig met het alledaagse ‘gezonde verstand’ onderlijnen Shinran Shōnins rotsvaste vertrouwen in de leer van de Ander-Kracht en tevens zijn onverschrokken en compromisloze houding bij het verkondigen ervan.
Het negende hoofdstuk van Tannishō geeft een dialoog weer tussen Shinran Shōnin en Yuien, de auteur. Deze dialoog is van een merkwaardige diepgang.
Op een dag biecht Yuien aan Shinran: “Zelfs wanneer ik de Nembutsu zeg, voel ik geen bijzondere vreugde in mijn hart, noch verlang ik vlug in het Reine Land geboren te worden.” En hij ondervroeg de meester naar de reden hiertoe. Shinran Shōnin antwoordt hem gevat: “Ik heb net dezelfde twijfel. Maar als ik er dieper over nadenk, dan zie ik dat onze geboorte in het Reine Land des te meer verzekerd is juist doordat we ons er niet over kunnen verheugen zoals we het eigenlijk zouden moeten.” En hij vervolgt: “De reden hiertoe is dat onze blinde begeertes ons gemoed verdrukken en het weerhouden zich te verheugen wanneer het dat eigenlijk zou moeten doen. Amida Buddha weet dit en legde juist daarom een bijzondere Gelofte af om dwaze wezens zoals u en ik tot het heil te brengen. Daarom is het zo dat zodra we het besef krijgen van onze blinde begeertes, wij ook voelen hoezeer de Gelofte vetrouwenswaard is.”
Verder zei Shinran Shōnin nog: “Wij verlangen er niet naar vlug naar het Reine Land te gaan. Worden we een beetje ziek, dan voelen we ons verlaten en hulpeloos en denken we elk ogenblik dood te gaan. Dat komt allemaal van onze blinde begeertes. We zijn immers zozeer aan deze Samsara-wereld gehecht dat we er niet naar verlangen in het Reine Land geboren te worden en de verlichting te verwezenlijken. Maar hoe sterk ook onze blinde begeertes mogen zijn, wanneer de oorzaken en omstandigheden die ons aan deze wereld binden, tot een einde komen, dàn zullen we toch in het Reine Land geboren worden. Amida is bijzonder mededogend voor diegenen die geen verlangen naar het Reine Land hebben. Moesten we, integendeel, grote vreugde vinden in het vertrouwen en erop uit zijn in het Reine Land geboren te worden, dan zouden we wel eens kunnen denken dat we helemaal geen blinde passies meer zouden hebben. Hiermede zouden we ons uitsluiten uit het heilsgebeuren!”
Mij doet deze dialoog aan twee dingen denken. Een eerste is dat Shinran de diepe overtuiging koesterde dat juist de gewone, van passies en begeertes bezeten mensen het ware object zijn van Amida’s heilswerking. Zelfs al waren we bij machte deze heilsleer te begrijpen, we zouden ze nooit zo intens aanvoelen als Shinran het deed. Hij vreesde dat, moesten we erop uit zijn in het Reine Land geboren te worden, wij wel eens zouden geneigd zijn te denken dat wij geen blinde begeertes hadden en, juist door dàt te denken zouden we ons uitsluiten van Amida’s heilshandeling. Wij zijn geneigd te geloven dat goede Shin-Boeddhisten van nature uit een sterk verlangen naar het Reine Land hebben en dat ze er graag zo vlug mogelijk zouden willen geboren worden. Maar, zoals Shinran Shōnin het zegt, we zijn inderdaad vol blinde passies, zozeer dat we zelfs Amida’s heilswerking niet naar waarde schatten en liever verkiezen te blijven ronddraaien in de Samsara-kringloop van geboorte-en-dood. Vermits Amida besloot zulke erbarmelijke wezens zoals wij te bevrijden, dan zijn juist de wezens vol blinde begeertes het voorwerp van zijn heilswerking.
Een andere sterke indruk die ik uit deze dialoog opdoe, is dat Shinran Shōnin aan zijn discipel de bodem van zijn hart openzette. Het is niet ongebruikelijk dat algemeen gerespecteerde grote meesters en vurige gelovigen de indruk willen wekken van een onwrikbare overtuiging. Ook al hebben ze in feite slechts weinig verlangen naar het Reine Land omdat ze bang zijn van de dood, zij zullen toch pogen hun diepste gedachten te verbergen om niet door anderen belachelijk gemaakt te worden. Shinran Shōnin had dergelijke pretentie niet. Hij was oprecht met zichzelf en vreesde niet geridiculiseerd te worden. Ook bij het onthullen van zijn diepste gedachten betoonde hij zijn absolute vertrouwen in het Mededogen van de Boeddha. Ik kan deze eerlijke en oprechte attitude enkel bewonderen en eerbiedigen. Hij moet inderdaad een heel sterk besef gehad hebben van het feit dat hij de minste onder de gewone, verblinde mensen was, meer nog dan zij beladen met blinde begeertes. In een van zijn geschriften leest men: “We moeten niet naar buiten doen alsof we goed en wijs zijn, want naar binnen toe is ons gemoed vulgair en verachtelijk.” Ook hier zien we een uitdrukking van Shinran Shōnins ware gemoed.
Na deze dialoog tussen de Shōnin en Yuien onderzocht te hebben, moeten we voorzichtig zijn er niet de conclusie uit te halen dat Shinran Shōnin helemaal geen vreugde vond in zijn diep vertrouwen. Wel integendeel! In heel wat van zijn geschriften vinden we uitingen van dergelijke vreugde in het heil. Het zou dichter bij de waarheid zijn te stellen dat dergelijke verheven geestelijke vreugde niet voortdurend kan uitbarsten, maar dat de oppervlakte van het gemoed vaak vertroebeld wordt door dwaze begeerten en blinde passies. Doordat dit de ware aard is van de gewone mens, blijft er niets anders meer over dan vertrouwen te hebben in de gelofte van de Boeddha. Hoe intenser iemand het besef heeft van zijn eigen boze passies, des te sterker vertrouwt hij in de heilsgelofte.
Elders in Tannishō (hoofdstuk 7), zegt Shinran Shōnin dat het leven van de Nembutsu-volgeling is als wandelen langs een ongehinderd pad. Maar Shinrans leven was zelf absoluut niet vlot en gemakkelijk noch was hij een welstellend man. Toen hij 29 was, werd hij discipel van Hōnen Shōnin en begon daarmee een nieuw bestaan gewijd aan het verkondigen van de heilswerking van Amida’s Gelofte. Spoedig echter begonnen de traditionele Boeddhistische scholen de Nembutsu-leer van ketterij te beschuldigen en drongen er bij de machthebbers op aan deze leer te verbieden en te vervolgen. Meester Hōnen en Shinran Shōnin werden elk apart verbannen. Jaren later werden ze geamnestieerd, maar Shinran Shōnin besloot niet naar Kyoto terug te keren. Hij bracht meer dan 20 jaar door in verschillende streken van het noordoosten van Japan om er de Jōdo-Shinshū-leer te verkondigen. Toen hij bij de 60 was, keerde hij terug naar zijn geboortestad Kyoto waar hij leefde in een kamertje dat hij van zijn broeder huurde. Hij leefde gescheiden van zijn gezin en enkel zijn jongste dochter Kakushin-ni was bij hem om hem te verzorgen, tot hij op 90-jarige leeftijd stierf.
Shinran Shōnins leven was dus beslist niet gemakkelijk: noch familiaal noch sociaal noch materieel. En toch: ook in dergelijke situatie verkondigde hij luidop, zoals we het hiervoor zagen, dat de Nembutsu-volgeling het brede, ongehinderde pad bewandelt! In deze verklaring voelen we in welke mate Shinran Shōnins leven stevig geschraagd was door absoluut vertrouwen in Amida Buddha. Deze verklaring kan ook opgevat worden als een vreugdekreet van iemand die verzekerd is van zijn geboorte in het Reine Land.
In dit verband herinneren we ons volgende woorden van Rennyo Shōnin:
“Alhoewel ons leven zijn zorgen heeft en onze verlangens niet vervuld worden, wat een vreugde is het toch te weten dat onze geboorte in het Reine Land verzekerd is! Hoe groot toch is de weldadigheid van de Boeddha!”
Zelfs wanneer we vreugde scheppen in Amida’s Mededogen en de Nembutsu uit dankbaarheid uitspreken, toch zullen onze zorgen en pijnen in het bestaan niet afnemen of verdwijnen. Maar als Nembutsu-volgelingen kunnen wij ook in lijden vreugde vinden en hoop in de angst. Het door vertrouwen gestutte leven brengt licht in deze wereld en levert, ook al is het maar op erg kleine schaal, de energie op om bij te dragen tot de realisatie van een vredige maatschappij.
Shinran Shōnin zei: “Laat er vrede zijn in de wereld; laat de Leer van de Boeddha verspreid worden in de wereld.” Deze wens van Shinran Shōnin is ook de wens van alle Nembutsu-volgelingen. Ons leven wordt maar eerst leefwaardig wanneer wij in deze zin inspanningen doen. Op deze wijze kunnen wij een bijdrage leveren voor de maatschappij waarin wij leven.
Jōdo-Shinshū in Europa is nog steeds in zijn prille kinderjaren. Ik hoop dat u het nodige zal doen om uit te groeien tot sterke jeugd en volwassenheid, tot het Shin-Boeddhisme voor toekomstige generaties in geheel Europa een lichtbaken wordt.
Hartelijke dank en Namu Amida Butsu.
|
|
|
|
|
|
Ekō 35 |
|
© 2004 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |