Een dode zaterdagavond in juli. De zomer ontaardt in novemberweer.
De aarde jammert en stormt in haar verlangen naar zon en bloei en vruchten. Haar somberheid drukt me neer in onvrede en onbehagen.
De snelweg is overbevolkt gejaagd. De stad is onrustig. De grillige wind doet het afval opwaaien, de uitgeregende kruinen zwiepen in wanhoop heen en weer.
Daartussen haastige natte mensen, vluchtend in alle richtingen.
Ik druk mijn gezicht tegen het raam en het onbehagen van de vooravond ligt zwaar op mij. Mijn geest jaagt heen en weer als de mensen daarbuiten, op zoek naar beschutting en veiligheid, een krop van verlangens in mijn keel, een kluwen van vrees in mijn achterhoofd.
Ik ben verdeeld, versnipperd, versplinterd.
Mensen rondom mij zijn de angels, vrees de tralies van mijn kooi, nijpend de ketens van mijn verlangens.
Sabbe sankhara dukkha.
[Alle bestaansvormen zijn door lijden getekend.]
Waarheen lopen de mensen, wat willen ze grijpen dat hun ontglipt, waaraan willen ze ontkomen? Kopen, hebben, regelen, plannen! Zon verzekeren, plezier kopen, liefde vereeuwigen, gezondheid beveiligen.
Zand dat ik in mijn hand wil vasthouden, ontglipt tussen mijn vingers; de tijd stroomt onverstoorbaar langs me heen.
Wat wordt, is reeds gisteren, en morgen is nog oneindig ver.
Sabbe sankhara anicca.
[Alle bestaansvormen zijn door vergankelijkheid getekend.]
Ik sleep gisteren verder mee; morgen doemt voor mij op als een onoverzichtelijk labyrint.
En vroeger en later en toen ik jong was en als ik oud zal zijn en… en… en…
De keten onderbreken, voor één ogenblik maar, naar adem snakken. Alles zien zoals het is, ingekaderd door het raam waardoor ik kijk. Alles één ogenblik loslaten en kijken naar de pracht van dit woeste wolkenspel. De jagende stad sterft weg, geluidloos en traag.
Mijn verlangen, mijn ik-pijn, mijn hoop, mijn ik-pijn, mijn vrees, mijn onuitputtelijke ik-pijn.
Sabbe dhamma anatta.
[Alle bestaanselementen zijn door zelfloosheid getekend.]
Een onbeperkte mogelijkheid, een onbeperkte beschikbaarheid, een bodemloze volheid stroomt ongehinderd de kooi binnen…
IK is mijn raam waardoor de dingen begrensd, vernauwd, verkleind worden. IK is mijn kloppende onrust. IK is schakel na schakel de keten van mijn verlangen.
Ik wil het raam openen, de volle zuivere lucht laten binnenstromen en de sprong in het heldere licht wagen.
Namu Amida Butsu
(graag anoniem)
|
|
|
|
|
|
Ekō 38 |
|
© 2004 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |