naar Philipp Karl Eidmann – I.B.S. Berkeley
Hoe dikwijls wordt ons niet de vraag gesteld: “Hoe beoefenen jullie, Shin-boeddhisten, de meditatie?” Het antwoord hierop zal ja of nee zijn naargelang hetgeen wij denken dat de ondervrager meent.
Er is immers in geen van de boeddhistische “kerkelijke” talen (Pāli, Sanskriet, Chinees, Japans, Tibetaans) een woord dat volkomen overeenstemt met een vertaling van ‘meditatie’.
Het Boeddhisme heeft natuurlijk honderden vormen van praktijken die de Westerling wat wazig aanduidt als ‘meditatie’. Elk van die praktijken heeft een eigen benaming en heeft ook een eigen bedoeling.
Het woord ‘meditatie’ is afgeleid uit het Latijn en behoudt dus Latijnse nuanceringen. Het Latijn is eeuwenlang de kerkelijke taal van het Westen geweest. Het Latijnse werkwoord meditor betekent ‘denken over, beschouwen, overwegen; bestuderen, zich op iets voorbereiden; zich oefenen, beoefenen’. Het Griekse woord dat eraan verwant is (meletao), voegt hierbij nog de begrippen ‘een bedrijvigheid uitoefenen’ en zelfs ‘declameren’.
In onze westerse talen zien we het wat onvoorzichtige gebruik van dit woord in de zin van enige onduidelijke ‘introspectie’ of ‘contemplatie’. Ook het woord ‘contemplatie’ wordt te pas en te onpas gebruikt, alsof het een of andere bovennatuurlijke dromerij zou zijn, dan wanneer het de betekenis heeft van ‘aandachtig, nauwlettend bekijken’.
Zo komt het dat het onmogelijk is in het Pāli, het Sanskriet of het Chinees een juiste tegenhanger te vinden voor ‘meditatie’. In Shin teksten komt het woord furumai voor en dat ligt misschien nog het dichtst bij de oorspronkelijke betekenis van ‘meditatie’.
Nemen we de term ‘meditatie’ in zijn eigenlijke betekenis van beschouwing, studie, voorbereiding, oefening, praktijk, declamatie, dan kan men in het Shin-Boeddhisme wel vijf soorten ‘meditatie’ onderscheiden. Deze vormen dan een feitelijke praktijk, ofschoon het Shin-Boeddhisme deze term afwijst. Bovendien en gelet op het boeddhologische feit dat de Jodo-Shinshu opvatting ontstaan is uit de fusie van Sanron- en Kegon-doctrines tegen de achtergrond van het Boeddhisme in het Kamakura-tijdperk (1185-1333), omschrijft het Shin-Boeddhisme geen enkele bijzondere activiteit als praktijk, maar legt nadruk op het feit dat elke activiteit, elke handeling, zelfs de meest onbeduidende van het dagelijkse leven, een essentiële religieuze handeling binnen het Pad van de Boeddha kan zijn.
Aangezien de Shin-leer in hoofdzaak bekommerd is om het bereiken van het diepere besef dat het ‘ontwaken van het vertrouwen’ genoemd wordt, kunnen deze diverse vormen van meditatie beoefend worden hetzij als resultaat van dit ontwaken of als voorbereiding ertoe. In het geval van meditatie die voortspruit uit dit besef, zal de ‘meditatie’ hoofdzakelijk bestaan uit een introspectief beschouwen van de vreugde voortspruitend uit het ‘uitdoven van de bestaansvormingen’. Aan de andere kant kan het ook de vorm aannemen van een fervente activiteit hetzij om het gevoel van vreugde mede te delen hetzij om zijn gevoelens van welwillendheid-mededogen te manifesteren.
In het geval van diegenen die nog niet dit ‘ontwaken van het vertrouwen’ bereikt hebben, kan een meditatieve praktijk ondernomen worden met verschillende bedoelingen. Zo kan men dit doen enkel om die wereld-interpretatie te verwezenlijken welke nodig is voor het intellectuele begrijpen van woorden of gedachten uit de schrifturen. Meditatie kan beoefend worden met het oog op het verwerven van mentaal en emotioneel evenwicht nodig in het dagelijkse bestaan. Of men kan zelfs mediteren met het oog op het bereiken van het ‘ontwaken van het vertrouwen’.
Dit laatste gebruik van ‘meditatie’ is, in het Shin-Boeddhisme, een bijzonder gevaarlijke praktijk. Heel wat verdenking rust op degene die dit vermeldt als doel van zijn ‘meditatie’. Immers, elke vorm van meditatie ondernomen om het bereiken van het ‘ontwaken van het vertrouwen’, kan enkel het ego-denken nog versterken; ze voert de discipel verder af van zijn doel en hij kan vervallen in de bedrieglijke gedachte dat het ‘uitdoven van de bestaansvormingen’ zal voortspruiten uit zijn beoefenen van de ‘meditatie’.
Het is van belang de bedoelingen van dergelijke meditatieve praktijken in het Boeddhisme scherp te ontleden. Westerlingen, en hierbij ook onvoldoende geïnformeerde boeddhisten, komen maar al te gemakkelijk terecht in de valstrik te geloven dat het doel van de boeddhistische ‘meditatie’ niets anders is dan het verwezenlijken van de Verlichting of Nirvana. Dit is evenwel een verkeerde opvatting.
In het kleine Ch’an werk “De Poort zonder Doorgang” (Mêng-wu-kuang, ix) is er het verhaal van een discussie over een zekere bodhisattva die tien kalpa’s lang in meditatie gezeten had. Waarom, zo was de vraag, heeft hij na zo’n ontzettend lange periode, nog steeds het boeddhaschap niet verwezenlijkt? Het antwoord wordt gegeven: precies omdat hij die tien wereldperiodes in dhyāna-meditatie gezeten heeft!
Het kan natuurlijk gebeuren dat, na de meditatiepraktijk, de discipel inderdaad het ontwaken van het vertrouwen verwezenlijkt. Als dit ontwaken inderdaad het juiste en ware ontwaken van het vertrouwen is, dan zal die discipel ontdekken dat zijn praktijk niet de oorzaak is van het uitdoven van de bestaansvormingen. De oorzaak is immers het ontwaken van het vertrouwen zelf. Bovendien zal hij tot het besef komen dat zijn meditatie zelfs niet de oorzaak was van zijn bereiken van het ontwaken van het vertrouwen.
De discipel met juist besef weet dat zijn meditatie ondernomen werd als gevolg van vroegere karmische omstandigheden en dat, hoezeer hij ook meende dit te doen uit eigen beslissing, hij in feite tot het mediteren gebracht is geworden.
De vijf soorten meditaties, in brede zin, die in de Jodo-Shinshu voorkomen, zijn de volgende:
- rituele activiteit
- praktische activiteit
- reguliere activiteit
- sociale activiteit
- quiëtistische activiteit.
De rituele activiteit omvat de liturgische en devotionele praktijken eigen aan de Jodo-Shinshu traditie. Ze zijn heel wat minder talrijk dan b.v. in de Zen- of Vajrayana-scholen. Bovendien ontbreekt aan het Shin-ritueel, elk vragend gebed of elke poging om de stoffelijke of geestelijke wereld te beïnvloeden.
Het begrip “praktische activiteiten” verwijst in hoofdzaak naar formele studies van de leer, met daaraan gekoppeld ook het onderrichten. Studie en onderricht vormen immers de hoofdtaken van de Shin-”priesters”.
Reguliere activiteit bestaat in het naleven van de gedragscodes die in de oudere Shin-traditie voorkomen en die teruggaan op Honen, op Shinran en op Rennyo. Deze gedragscodes zijn richtlijnen met een uitsluitend maatschappelijke draagwijdte en hebben geen ethisch-religieuze implicatie.
Sociale activiteit is een verwijzing naar de verschillende manieren waarop de Shin-boeddhist zijn vreugde en zijn dankbaarheid reflecteert in de maatschappij waarin hij leeft. Dit betekent niet uitsluitend wat wij gewoonlijk verstaan onder ‘maatschappelijk werk’, alhoewel dit er natuurlijk inbegrepen is. De term omvat eigenlijk de totaliteit van de Shin-attitude ten opzichte van de mede-wezens. Daardoor omvat sociale activiteit ook alle vormen van kunst en wetenschap die berusten op vrede des gemoeds, met inbegrip van theeceremonie, kalligrafie, bloemenschikken, No-spel en alle ‘sociale’ kunsten van India, China en Japan, plus hun westerse tegenhangers.
De quiëtistische activiteit bestaat in alle vormen van introspectieve meditatie en contemplatie, die de Westerling in verband brengt met zijn begrip meditatie. In de Jodo-Shinshu zijn de orthodoxe vormen van zulke meditatie zeer oud en talrijk. Nochtans, vermits er geen aandringen is op het ondernemen van deze of gene meditatieve praktijken, vertonen ze in de Jodo-Shinshu steeds een zeer individualistische trek, naar vrije keuze van elkeen, maar ze hebben nooit een liturgisch dwingend karakter.
Men zou kunnen denken dat de methodes uiteengezet in het Meditatie-Sutra, dat toch één van de drie canonieke werken van de Reine-Land traditie is, in de Jodo-Shinshu een methodologische toepassing zouden gevonden hebben. Toch worden deze methodes slechts heel uitzonderlijk in Japan toegepast.
Kern van de meditatietechniek in het Meditatie-Sutra is de concentratie op de ondergaande zon. Blijkbaar werd deze techniek in Japan ingevoerd in Shitennoji tempel op het einde van de 6de eeuw, maar populair werd ze nooit.
Men vertelt dat eeuwen later Honen deze meditatietechniek zou toegepast hebben. Kozui-Kyonyo, de 22ste hoofdabt van Honganji, zou deze meditatie beoefend hebben tijdens zijn bezoek aan India. De bekende Shin-geleerde Chonen (1792- 1849) zou een gelijkaardige meditatie beoefend hebben bij het zinken van de zon over het Biwa-meer; maar dat is geen praktijk vermeld in het Meditatie-Sutra.
Men neemt aan dat de oorzaak voor het populair mislukken van de zon-meditatie in Japan moet gezocht worden in de klimaatsomstandigheden. Deze meditatie vraagt immers een heldere, duidelijk afgetekende zon, wat slechts heel zelden in Japans vochtige klimaat aangetroffen wordt.
Heel wat populairder dan deze zon-meditatie, zijn de diverse technieken die wat vaag ondergebracht worden onder de hoofding “Boeddha-denken-concentratie” (Nembutsu-zammai) en waarvan sommige vormen teruggaan tot de tijd van Honen.
De heden meest populaire is allicht de techniek uitgewerkt door ene Toyo Engetsu. Hiervoor worden speciale sessies gehouden, dikwijls omschreven als “Het Rustige Leven”.
Zowel tijdens de sessies van het Rustige Leven als bij hem thuis, spreekt de discipel de Naam van de Boeddha uit waarbij hij op een visvormige houten gong slaat. Wanneer de discipel aldus volkomen in de meditatiestaat komt, ontwikkelt zich een vorm van samadhi.
Een derde type van de quiëtistische activiteit is het “Rustig Zitten” (seiza). Deze term heeft een lange geschiedenis in China en Japan, waar hij gebruikt wordt voor heel wat aanverwante technieken. De discipel zit, met of zonder gedachtenobject, en stilt op deze wijze zijn gemoed. “Rustig Zitten” is in het Shin-Boeddhisme een wijd verspreide en veel toegepaste techniek.
Hierbij kunnen we sommige andere technieken voegen die, inzoverre het Shin-boeddhisten betreft, in hun bedoeling verwant zijn met het “Rustige Zitten”. We denken hierbij aan de gewoonte van talrijke Shin-boeddhisten deel te nemen aan meditaties van andere boeddhistische scholen. Ofschoon een Shin-boeddhist kan zitten in een meditatie-sessie van Zen of Vajrayana of Theravada, zijn innerlijke attitude zal anders zijn dan van diegenen die naast hem zitten. Die meditatietechniek kan bijgevolg wel Zen of Shingon zijn, de inhoud van het mediteren is dat niet; ook dergelijke meditatie valt dan onder “Rustig Zitten”.
Tenslotte is er bij de quiëtistische activiteit ook nog het “Inzicht in Zonde en Kwaad” (Zai-aku-ken). Deze methode heeft nauwe affiniteiten niet enkel met de algemeen boeddhistische vipasyana-meditatie, maar ook met technieken eigen aan de Jung-psychologie. Ze gaat terug tot de tijd van Shinran en behoort ongetwijfeld tot de belangwekkendste praktijken van de Jodo-Shinshu. Nochtans heeft deze techniek vaak aanleiding gegeven tot verwarring en misbruik.
Al deze vormen van Shin-Boeddhistische ‘meditatie’ zijn heden ten dage nog zeer levend, maar ze zijn, zoals gezegd, beperkt tot het individuele niveau en maken geen effectief deel uit van de Jodo-Shinshu heilsleer.
|
|
|
|
|
|
Ekō 38 |
|
© 2004 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |