S. S. Kibe Monshu
2. Stichting van de diverse obediënties
In de veertiende eeuw, en in het bijzonder vanaf 1320, was Japan ten prooi aan burgeroorlogen, die tussen 1330 en 1340 een hoogtepunt bereikten. Kyoto werd een waar slagveld en de openbare vrede van geheel het land lag overhoop, zodanig zelfs dat de lokale verbindingen tussen Kyoto en de naburige plaatsen volkomen afgesneden waren. Te dien tijde was het toezicht over het Ohtani mausoleum, de latere Honganji-tempel, in handen van Kakunyo, Shinrans achterkleinzoon. Deze had de bedoeling van dat Ohtani mausoleum een centrale hoofdtempel te maken voor alle boeddhisten van de Shin-stroming, maar de Takada-volgelingen, de machtigste groep van het Kantō-district, en de Bukkōji-volgelingen van Shirutani, onder leiding van Ryōgen, verzetten zich tegen de plannen van Kakunyo.
Zelfs Zonkaku, Kakunyo’s oudste zoon, was het niet steeds eens met de opvatting van zijn vader. Na 1350 luwde de burgeroorlog wat, zodat besprekingen, die in de voorgaande periode onmogelijk waren, konden hervatten; maar ondertussen hadden zich reeds duidelijk groepen afgetekend. In het Ohtani mausoleum te Kyoto, in de Bukkōji-tempel te Shirutani, in Takada in het Kantō-district, te Kibe in Ohmi, om niet te spreken van Echizen (de tegenwoordige prefectuur Fukui), hadden zich sterke groepen aanhangers gevormd rond centra waar grote tempels opgetrokken werden. Toen hun invloed steeds maar toenam, werd de feitelijkheid van de diverse ha (onderverdelingen) vanzelfsprekend en in de tweede helft van de veertiende eeuw waren dan ook de diverse ha gevestigd.
Namen als Honganji, Senjūji (de Takada-obediëntie), Bukkōji, Kinshokuji (de Kibe-obediëntie) blijken in die periode algemeen gangbaar geweest te zijn.
De Senjūji-tempel in het Kantō-district en de Bukkōji tempel te Kyōto namen tegenover de Honganji-tempel een ietwat vijandige houding aan, terwijl in 1352 de Kinshokuji tempel de zoon van Zonkaku als opvolger onthaalde. De bloedverwantschap die bestaan heeft tussen de bewakers van de Kinshokuji en die van de Honganji was nauw en dat verklaart wellicht de attitude van samenwerking die er steeds tussen deze beide obediënties bestond. Dat heeft evenwel niet belet dat vanaf zeker het einde van de veertiende eeuw de Kinshokuji duidelijk een ha was die onafhankelijk stond tegenover de Honganji.
Hier moet ik u iets meer vertellen over Zonkaku (1290-1373). Als oudste zoon van Kakunyo had hij natuurlijk het recht zijn vader op te volgen, maar na diens dood in 1351, kon hij op dat recht geen beroep doen. Rond 1350 was hij vaak op bezoek geweest in de Kinshokuji-tempel en de aanhangers van de Kibe-obediëntie wensten dat hij daar langer bleef, maar hij sloeg hun verzoeken af (de officiële stukken hierover bestaan nog) en stelde zijn zoon Jikan (1334-1419) aan als opvolger voor Kinshokuji. Voor zichzelf bouwde hij de kleine tempel ‘Jōrakudai’ te Imakōji in Kyōto, waar hij tien jaar spendeerde aan het schrijven van een commentaar op Shinrans hoofdwerk Kyōgyōshinshō. Dit commentaar ‘Rokuyōshō’ werd de basis voor onderricht in de Shin-gemeenschap. Zonkaku was een talentvol geleerde en genoot een hoogstaande reputatie hij de volgelingen in het Kantō-district; bovendien had hij zeer goede betrekkingen met Ryōgen te Shirutani. Ofschoon hij door zijn vader Kakunyo uit de Honganji geweerd was, bood hij nooit weerstand aan diens beslissingen. Zijn vrouw zou van Ohmi afkomstig geweest zijn.
Het was dus zowat honderd jaar na Shinrans dood, dat de meeste onderverdelingen (ha) zich organiseerden rondom eigen hoofdtempels; voor sommige onder hen kan men ook lichte afwijkingen in de doctrine vaststellen. Ik veronderstel dat men mag zeggen dat Zonkaku de leringen van de Shinshū geünificeerd heeft door zijn geschrift ‘Rokuyōshō’. Doordat hij zijn vader niet opvolgde als ‘bewaker’ van de Honganji, wordt hij in de geschiedenis van de Shin nogal eens te koel behandeld. Immers, de functie van ‘bewaker’ werd toevertrouwd aan Zennyo, zoon van Zonkaku’s jongere broer.
Het is ook rond deze tijd dat de hoofdpriesters van de centrale tempels van elke obediëntie de functie en de autoriteit van ‘Monshu’ (bewaker van de poort) blijken aangenomen te hebben. Ik weet niet met zekerheid rond welke periode de benaming ‘Monshu’ ontstond, maar blijkbaar was deze titel in algemeen gebruik rond het einde van de veertiende eeuw.
|
|
|
|
|
|
Ekō 42 |
|
|
|
|
|
|
Geschiedenis Van Het Ontstaan Van De Verschillende Obediënties In Het Shinboeddhisme |
|
© 2004 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |