Beste Vrienden,
Gij zult me wellicht zeggen dat ik steeds maar hetzelfde vertel… en het is waar ook. Telkenmale ik de Tempel binnentreed en aan de wand het portret van Zenmon-sama bemerk, welt er in mij een gevoelen van dankbaarheid op. Het is immers mede door zijn toedoen dat ik nu hier vandaag het woord tot u mag voeren vanaf de Nai-jin.
Maar juist dit “woord tot u voeren” stelt me voor drie fundamentele vragen. En indien ik het woord ‘fundamenteel’ gebruik, bedoel ik daarmee dat die vragen zich niet alleen stellen voor mij, maar dat ze zich ook gesteld hebben aan allen die hier vóór mij gezeten hebben en zich zullen stellen aan al diegenen die hier na mij zullen zitten.
Ziehier dan die drie fundamentele vragen:
1. Hoe ben ik zeker van wat ik verkondig?
2. Heeft het nog zin te spreken over het Nirvana en het Reine Land in een wereld van geweld, haat, begeerte en onwetendheid, zoals we die dagelijks ervaren?
3. Is mijn ervaring van de Leer groot genoeg om het woord tot u te richten?
1. Eerste vraag
Hoe ben ik zeker van wat ik verkondig?
Hierop heeft Rev. Shitoku reeds een antwoord gegeven, toen hij het had over de vertaling van de Chinese woorden mon-shi (horen en verstaan) die voorkomen in de Inleiding tot Kyōgyōshinshō. De paragraaf waarin deze woorden hun volle betekenis hebben, schijnt mij zo belangrijk, ja zo universeel, dat ik hem hieronder letterlijk herneem:
“Zolang iemand in dit huidige bestaan nog gevat zit binnen het net van twijfels, zal hij blijven rondzwerven voor tienduizenden kalpa’s. Inderdaad, waarachtig zijn de woorden ‘sesshu-fusha’ (omvat en niet meer losgelaten) en ‘chōse keu shōbō’ (de Ware Leer die ongeëvenaard en wonderlijk is). Laten we dus aanhoren en overwegen (mon-shi) en laat ons niet aarzelen te vertrouwen.”
Die tekst is zo universeel, dat hij reeds van toepassing was ten tijde van de Boeddha Gautama in India, ten tijde van Shinran Shonin in het Verre Oosten en nog meer ten huidigen dage in onze westerse samenleving.
Ten tijde van de Boeddha: in het Kālāma-sūtra (AN III, 65) wordt verteld dat de Kālāma’s voor allerhande redenen de Boeddha hun twijfels voorlegden, waarop de Verhevene dan antwoordde:
“Zeer juist, Kālāma’s, zeer juist gezien dat gij twijfelt - in dergelijke gevallen moet men wel twijfelen… Doch wanneer gij bij en door uzelf erkent dat deze of gene dingen slecht of verwerpelijk zijn, door de wijzen afgekeurd, dat zodra men ze uitvoert of ook maar eraan begint, ze naar onheil en lijden voeren, dan moet men die dingen verwerpen.”
Ten tijde van Shinran Shonin: de aangehaalde tekst is klaar genoeg.
Te onzen tijde hier in het Westen: geheel onze opvoeding, onze scholing en ook de filosofische gedachtewereld vanaf de oude Grieken tot nu toe, drijven ons in deze richting.
Maar terug vaan de vertaling van ‘mon-shi’: horen en verstaan. Horen alleen zou kunnen leiden naar een blind geloof. Het is dus van vitaal belang niet alleen te ‘horen’, naar na te denken over wat men gehoord heeft, de dingen te laten bezinken, ze grondig na te gaan. Dan eerst moet men het vertrouwen schenken.
Dit proces kan zeer langzaam evolueren. In mijn persoonlijk geval heeft het zeventig jaren in beslag genomen; maar het kan ook van zeer korte duur zijn. Maudgalyāyana en Sāriputra hadden de Leer van de Verhevene onmiddellijk door.
Nu, in de eerste spaak van het achtspakige wiel, Het Juiste Inzicht (samyagdrsti) staat heel duidelijk dat het intellectuele kennen van de Leer één van de elementen hiervan is. Wat houdt dit in? Het intellectueel kennen van:
- Prarztya of het ontstaan in afhankeIijkheid
- de Twee Voertuigen
- de Drie Kenmerken van het bestaande
- de Vier Edele Waarheden
- de Vijf Groeperingen van het bestaande
- de zes Pāramitā’s of Volkomenheden
- de acht spaken van het Wiel
- enz.
Maar die intellectuele kennis moet niet zuiver intellectueel blijven. Ze moet bezinken, ze moet spontaan en vanzelfsprekend worden. Dan eerst kan men spreken van prajñā, wijsheid. In Nāgārjuna’a Mahāprajñā-pāramitāsāstra lezen we:
“Het beoefenen van prajñā begint dus met luisteren (sruta) dan nadenken (cinta) om dan te handelen (bhāvanā).”
In ons geval is dat dus ‘spreken’?
Als antwoord op die eerste vraag zou ik dus durven zeggen dat ik zeker ben van wat ik verkondig in de mate dat ik wijsheid heb vergaard.
2. Tweede vraag
Heeft het nog zin te spreken over het Nirvana en het Reine Land in een wereld van geweld, haat, begeerte en onwetendheid, zoals we die dagelijks ervaren?
Het antwoord hierop is algemeen gekend. In de Mūla Madhyamaka-Kārikā vond ik volgende wondermooie verzen:
“Het principe van relativiteit
is als een gezegende staat
Het stillen van de pluraliteit.
Niets ontstaat,
niets vergaat,
niets heeft een einde,
niets is eeuwig,
niets is identiek,
niets is verschillend,
niets beweegt
noch langs hier noch langs daar.”
en
“Er is niet het minste verschil tussen Samsara en Nirvana
noch is er het minste verschil tussen Nirvana en Samsara;
Hetgeen de grens is van Nirvana is ook de grens van Samsara;
Tussen beide kan niet de minste zweem van verschil gevonden worden.”
Het heeft dus wél zin over het Reine Land te spreken. Alles hangt af van de manier waarop wij de zaken bekijken.
3. Derde vraag
Is mijn ervaring van de Leer groot genoeg om het woord tot u te richten?
Hierop kan ik geen afdoend antwoord geven. Ik kan u alleen maar vertellen dat een zestal jaren geleden mijn levensweg zich scheen te splitsen. Maar juist op het punt van de vork stond de Gids… en hij stond daar voor mij alleen!! Ik heb Zijn raad gevolgd, ben boeddhist geworden en ervaar nog elke dag, elk uur, elk moment, dat de Leer van de Boeddha, de Leer van Shinran Shonin mij begeleidt op de Weg en mij hulp verleent om de moeilijkheden van elke dag op te lossen.
Is die ervaring groot genoeg? Dat laat ik aan uw oordeel over. Meer kan ik hierover niet zeggen.
Aan wat voorafgaat zou ik misschien nog kunnen toevoegen dat iemand die vanaf de Nai-jin spreekt, moet overtuigd zijn van de gegrondheid van de Leer. Boeddha’s zijn zeldzaam, sprekers niet. Toch moet er iets van de Meester uitstralen uit de spreker.
Het is goed op te zien naar de Boeddha. Het herinnert er ons aan nederig te zijn en te blijven. Maar is dit ‘opzien naar’ uiteindelijk ook geen hakarai? Anderzijds is het niet goed helemaal met de Leer vertrouwd te zijn… of te denken dat we met de Leer helemaal vertrouwd zijn. Dat is hoogmoed en dus een hindernis op de Weg. Moeilijk is die inderdaad!!!
Ik ben ervan overtuigd dat die drie vragen en de laatste beschouwingen zich niet stellen aan en overbodig zijn voor de mens van Shinjin. Voor hem loopt alles als gesmeerd. Maar hoe kan ik weten of ik in dit geval ben? In Kyōgyōshinshō lezen we het volgende:
“Nadenkend over het grote Shinjin, geef ik mij er rekenschap van dat er geen onderscheid bestaat tussen adellijken en nederigen, tussen zwart geklede monniken en wit geklede leken, geen verschil tussen man en vrouw, oud en jong. Het totaal van kwaad dat men verricht heeft wordt niet in rekening gebracht. De duur van de religieuze praktijken ook is van geen tel. Het is geen zaak van goede daden of praktijken, noch van juiste of onjuiste contemplatie, noch van denken of van niet, noch van dagelijks leven of van de dood, noch van ichi-nen of ta-nen. Het is gewoon shinjin, dat onbegrijpelijk, onvoorstelbaar en onverwoordbaar is.”
Voor mij, die maar een heel gewoon ‘zondaar’ ben, gelden steeds de drie fundamentele vragen. Wellicht hebben die zich ook gesteld voor diegenen die mij voorafgegaan waren en voor diegenen die mij hier op deze plaats zullen volgen.
Namu Amida Butsu
|
|
|
|
|
|
Ekō 42 |
|
© 2004 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |