Toespraak - In Jikoji Gehouden Door Daniel Girardin

Toen ik mij tot de Leer van de Boeddha wendde, reageerden sommige vrienden eerder met terughoudendheid hierop. Ik wil iets over hun reactie vertellen, niet om over hen of over mezelf persoonlijk uit te weiden, maar omdat ik denk dat hun reactie typerend is voor de tijdsgeest van het moment in bepaalde kringen, en ook ik zelf voelde soms dezelfde twijfel over de Leer.

Hun reactie was deze: hoe kan je kiezen voor een religie die het lijden centraal stelt? Een religie die vreemd is aan het lichaam, aan de natuur, aan het leven zelf? Hoe kan je kiezen voor een religie die geen extase kent? Een religie die, in Nietzsches termen uitgedrukt, wereld- en levensverzakend is, een religie van de decadentie en de zwakheid? Als typevoorbeelden van religies die dan wel levensbevestigend geacht worden, verwijst men dan naar de wereldbeelden van de Amerikaanse Indianen en, sporadisch ook naar die van de Kelten.

Op de problematiek van de plaats van het lijden in het boeddhisme zijn we al eerder ingegaan, en het antwoord is: “Ook het boeddhisme is geen leer van het lijden; kijk maar naar de vierde edele waarheid, die van het achtvoudige pad dat voert naar de opheffing van het lijden.”

Maar dit antwoord voldoet hen niet, want wat ze precies in twijfel trekken, is de eerste edele waarheid, namelijk dat alle bestaansvormen getekend zijn door lijden. En, wanneer we dit uitgangspunt verwerpen, worden de overige waarheden irrelevant, net zoals de vraag of Maria nu al dan niet maagd is gebleven volstrekt zinloos is wanneer we geen christelijk godsconcept aannemen.

Wat ze precies betwijfelen in de eerste edele waarheid, is dit: wanneer we zeggen dat alle bestaansvormen getekend zijn door lijden, wat bedoel je daar dan mee? Er zijn criteria om te beslissen dat een mens lijdt, of een hond, of zelfs een insect. Maar zeggen dat een boom lijdt, wordt al twijfelachtiger. Immers, hoe zouden wij zijn lijden herkennen? Wat zou kunnen gelden als een waarneembare manifestatie van het lijden van een boom? Zijn afsterven? En stenen dan? En de zon? Lijdt de zon omdat ze tot doven gedoemd is?

Het is inderdaad zó dat we niet over criteria beschikken aan de hand waarvan we zouden kunnen beslissen of een steen al dan niet lijdt. Maar hierop kunnen we antwoorden dat, wanneer we de term ‘lijden’ toepassen op b.v. stenen, dat we niet meer bedoelen dan dat ze zelfloos zijn, en vergankelijk, en geen eigen zijn bezitten. Lijden wordt dan metafysisch gebruikt. Er stelt zich hier geen probleem, zouden we kunnen antwoorden, daar we ook in het boeddhisme aanvaarden dat het betekenisloos is om de term ‘lijden’, opgevat in de normale zin van het woord, vanuit onze menselijke bestaanssfeer toe te passen op stenen.

Maar nu kan men opmerken dat, wanneer we bereid zijn het lijden in normale zin van het woord enkel aan mensen en dieren toe te schrijven en daarmee de geldigheid van de eerste edele waarheid tot deze bestaansvormen te beperken, dat we dan moeten toegeven dat we één ervaring uit alle mogelijke ervaringen van wezens een absolute status hebben gegeven. Want waarom zeggen we dat bestaansvormen getekend zijn door lijden? Waarom niet door vreugde, waarom niet door hoop of zelfs door honger? Immers, lijden - zeggen ze - als één ervaring tussen alle mogelijke andere, heeft niet meer of minder een absolute status dan al die andere ervaringen die ons leven vormen. De keuze om te zeggen dat ons bestaan getekend is door lijden, is alzo willekeurig. Want wanneer we het leven ten volle aanvaarden, verschijnt het lijden als één mogelijke ervaring naast andere.

Nu, deze redenering is misschien waar vanuit logisch oogpunt, maar psychologisch bekeken lijkt hun bedenking eerder twijfelachtig. Want wie onder ons - en ook onder hen kan zeggen dat hij of zij het leven ten volle aanvaardt en dat van daaruit het lijden verschijnt als één ervaring onder alle andere?

En precies dààr zit het knelpunt. Want wie onder ons kan zeggen dat hij werkelijk - in alle situaties en op alle momenten - het leven ten volle aanvaardt? Wie is zeker dat hij in deze aanvaarding kan volharden, ongeacht wat er gebeurt?

Ik denk dat we niet te vlug moeten stellen dat we tot deze aanvaarding in staat zijn. Want een dergelijke permanente waarachtige aanvaarding is, volgens mij, de realisatie van het Boeddhaschap zelf, het moment waarop we de stroom hebben overgestoken en zien dat er nooit een stroom geweest is - en dat we dus ook niet langer het vlot van de Leer op onze schouders moeten verder dragen. Maar wie van ons kan met zekerheid zeggen dat dàt moment zich reeds in zijn leven voltrokken heeft?

En zolang we daarvan niet ten voile zeker zijn, komt het mij voor dat we de eerste edele waarheid gerust kunnen aanvaarden, want het is nu eenmaal een psychologisch gegeven dàt het lijden, dat van onszelf en dat van andere wezens, een enorme indruk op ons maakt. Dit betekent natuurlijk niet dat boeddhisten niet tot blijheid in staat zouden zijn. Hiervan getuigt een van de spreuken op een Japanse kalender die we van Shitoku gekregen hebben, namelijk deze:

“In het voile besef dat we ooit zullen sterven, hoe prachtig dit huidige leven?”

Namu Amida Butsu

Ekō 43

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

            home