Katrien Haemers
Nadat Bruno verkondigd had dat diegene die niets te zeggen heeft, moet zwijgen, was de moed mij een beetje in de schoenen gezonken.
Maar na het verhaal van Danielle heb ik weer moed gevat: niet dat ik iets nieuws te vertellen heb, maar aan het liedje over het lijden valt altijd nog wel een strofe toe te voegen.
Het boeddhisme stelt het lijden centraal, inderdaad, maar niet op een plaats van verheerlijking. Integendeel.
Wanneer het boeddhisme het lijden aanvaardt als inherent aan elke levenservaring, zelfs die van vreugde, dan wordt daar toch onmiddellijk aan toegevoegd dat de mens niet zou moeten lijden… als hij niet zo dwaas was!
Deze gedachte zinderde door mijn hoofd een paar weken geleden, bij een van de laatste vakantiemagazines van BRT3.
Af en toe, ook in deze lange hete zomer, is er een regendag en dan stuurt men de vakantiegangers willens nillens naar een museum. De musea zijn ontelbaar geworden in deze tijd: niet alleen is er geen enkel object meer waarrond men niet een museum kan bouwen, maar ook in de tijd kan niets nog de opmars van een museum stuiten.
Waar in mijn kinderjaren musea maliënkolders en harnassen lieten zien, staan er nu al de gebruiksvoorwerpen ten toon die mijn grootmoeder gebruikte; naast Van Dyck en Van Gogh hangt ook reeds Karel Appel in het museum; na de Jugendstil sleurt men ook de stijl der vijftiger jaren naar het museum en zelfs de Beatles en Margareth Thatcher staan reeds vereeuwigd in wassen beelden…
Stilaan bekruipt mij het onbehaaglijk gevoel dat ikzelf ook binnenkort ingehaald ben en gegrepen wordt door een of andere instelling tot behoud van cultuurgoed… Ik maak al aanstalten om op de vlucht te slaan,… maar kijk, ik hoef niet meer weg te lopen: ik hoef niet meer weg te lopen: ik zit wel veilig en wel, stevig ingemetseld in mijn eigen privé-museum, mijn eigen privé-bunker, omgeven door lappenpoppen, ingeblikte herinneringen aan een vader, een huis, een landschap, een tuin…
Tot over de oren bedolven door alles wat ik jarenlang heb opgestapeld, “bekijk” ik de wereld rondte mij, “bekijk” ik het hier en nu. Kunt U zich voorstellen wat voor een prachtige uitkijkpost dat wel is?
Het is een hele geruststelling: ik zit niet in een museum, ik ben er een!
Ik lijk wel een straatventer, die rondzeult met potten en pannen en borstels en dweilen, en weigert iets te verkopen omdat hij het niet wil loslaten!
Ik zou kunnen een deur openbreken in mijn museum, zodat een frisse wind kan binnenwaaien, er alle overtollige rommel kan uit wegblazen en ikzelf er als een bezoeker kon doorwandelen.
Want, zoals de dichter Ryokan het zegt:
“Wat zal er overblijven als mijn erfenis?
Bloemen in de lente, een koekoek in de zomer
en wat fluwelen bladeren in de herfst.”
|
|
|
|
|
|
Ekō 43 |
|
© 2004 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |