Bruno Van Parijs
We kunnen de herfst op vele manieren beschouwen als iets treurigs, maar ook als een seizoen van buitengewone schoonheid. Persoonlijk zie ik de herfst als de vervolmaking van het geven: dāna. De volmaaktheid van het geven, zie ik in de boom die in de late herfst zijn bladeren loslaat.
Ieder blad heeft zijn eigen leven geleid, heeft zijn eigen geschiedenis, en elk van die geschiedenissen is onvermijdelijk verbonden met de geschiedenis van de boom. Moest de boom nu vasthouden aan zijn bladeren, uit gehechtheid aan vorm en naam, hoe zou hij dan overleven? We weten dat het vallen van de bladeren een noodzakelijkheid is voor de overleving en ontwikkeling van de boom.
Laten we even deze boom ‘mens’ noemen en bekijken we de bladeren als onze gedachten, onze begeerten, angsten, onze haat, kortom ons ‘ik’.
Zoals we zien dat de geschiedenis van het blad onvermijdelijk verbonden is aan die van de boom, zo zien we dat ons leven als mens onvermijdelijk gebonden is aan de gedachten die we koesteren.
We zien dat onze gedachten, onze angsten, begeerten en haat ons leven bepalen, ons ik vormen.
Toch blijven we handelen als een boom gehecht aan zijn bladeren. We houden ons zo aan onze bladeren vast dat we onszelf ten gronde richten.
Als we zien dat de boom in de herfst zijn bladeren loslaat, waardoor in de lente deze bladeren terug als meststof gebruikt kunnen worden, wat kunnen we daaruit leren?
We kunnen eruit leren de gedachten, die ons tot last zijn, los te laten en om te zetten in gedachten die ons ten goede komen, zoals het blad tot mest wordt.
Laat ons leren van deze boom, en wat het geven betreft, laat ons zijn als de boom.
Handelen, loslaten als de boom, niet uit berekening door zelfkracht, maar uit zo-heid, natuurlijkheid door de Ander-Kracht.
Namu Amida Butsu
|
|
|
|
|
|
Ekō 43 |
|
© 2004 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |