Hier volgen twee teksten die Lut terugvond bij de papieren van onze goede vriend Luc. De eerste tekst is die van een korte dharma-talk die hij gehouden heeft op een keer dat hij in Jikoji voorging. De tweede tekst is een diep persoonlijke overweging over boeddhanatuur en verlichting.
Namu Amida Butsu
Hier zijn we dan terug. Heel even bijeen. Straks worden wij weer versnipperd. Als ik naar hier kom, denk ik steeds dat ik naar Amida kom. Dat is dwaas van me. Dwaas ben ik. Amida is steeds bij ons, is steeds bij ons, is steeds bij mij.
Kon ik dat maar gewaar worden. Het gewaarworden gebeurt, maar ik luister niet en ben verbolgen dat ik niets hoor. Ik doe mijn ogen dicht en ben kwaad dat ik niets zie. Ik doe ze open, maar kijk niet.
We luisteren nauwelijks of niet naar een blaffende hond. We horen het wenen van een kind en scheppen een afstand. We leven niet in de lach van een voorbijganger op straat. We snijden ons overal van af. We leven in een hol waar we ons - naar we menen - steeds veilig in terugtrekken. Vanuit dat isolement wil ik kijken, kan ik luisteren. Maar ik heb mij eerst afgescheiden. Deze zelfgebouwde afgescheidenheid is verderfelijk. Het is de bron van conflicten, bron van verwarring. Wanneer de gong gaat, laat ik dan luisteren in volledige stilte naar dat geluid, laat het een voortbewegen zijn op de klank, nee beter, laat het geluid mezelf meevoeren door de stad heen, door het veld, naar zee.
De schoonheid van dat geluid kan je alleen maar voelen als je van dat geluid niet gescheiden bent, als je er deel van bent.
Laat mij de Nembutsu zeggen, beter laat de Nembutsu zelf spreken in mij, en dit zonder het gescheiden zijn van spreken en horen, zien en gezien worden. Laat de Nembutsu het beëindigen zijn van het afgescheiden zijn; laat het klank zonder wilsdaad zijn, zonder verlangen. De Nembutsu staat niet los van het leven, mag ik het horen als de essentie van het leven zelf, het brandpunt in het dagelijks bestaan.
Hongaku (de ingeboren Boeddha-natuur)
Het Boeddhaschap is in alle wezens, vanaf de ‘beginloze tijd’, ingeboren. Het zit er ingebakken. De zon zit in mij terwijl ik schuil in mijn hol en denk dat de zon ver weg is, buiten, niet bij mij. Weggetrokken in eigen duisternis klaag ik woedend en wanhopig dat er zelfs geen zon is. Was haar gloed, licht, warmte geen wezenlijk deel van mij, ik was lang verschroeid van binnenuit.
De ingeboren Boeddha-natuur, Hongaku, voert de wezens uiteindelijk naar verlichting; het zet mijn hol vol licht, zo klaar als het daglicht buiten. Binnen of buiten, overal is de al-aanwezigheid van de Verlichting.
Essentieel zijn alle wezens verlicht, Buddha. De Verlichting is het moment waarop alle wezens tot de verwerkelijking van deze aanwezigheid komen.
Er is geen fundamenteel onderscheid tussen Boeddha en de ‘niet-verlichte’ wezens. Het Boeddhisme kent veel wegen om de ingeboren Verlichting te realiseren. Het Shin-Boeddhisme stelt daarentegen dat Verlichting verwerkelijkt wordt door de werking van Amida Buddha. De natuurlijke werkzaamheid in ons van Amida brengt de ingeboren Boeddha-natuur tot uiting. De zon in mijn diep hol drijft mij naar buiten om aldaar deel te zijn van een zonovergoten wereld. De Ander-Kracht drijft mij uit mijn benepen duistere zelf-wereld. Het mededogen van Amida doorstraalt mijn belachelijke ruimte van afzondering; ik ren weg, ik vlucht, ik wil mij redden, ik sluit me op, ik vang mijzelf. En wanneer ik in mijn schijnveiligheid kots van mezelf en luid klagen wil en tier als bezeten en schreeuw als een gewond dier, hoor ik de gong. Hij zit naast mij en wij drijven in hetzelfde geluid. Eenmaal stil, barsten we los in een lach. Namu Amida Butsu.
(Lente ‘87)
|
|
|
|
|
|
Ekō 45 |
|
© 2004 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |