Karl Petit
in Japan kan men zowat overal de invloed van het boeddhisme vaststellen: in de literatuur, de kunst, de architectuur, de tuinkunst, ja zelfs in sommige namen van bergen of watervallen, wat weet ik allemaal? En daarbij de klokken van de tempels die, ondanks onze analoge of digitale uurwerken, het vlieden van de tijd aanduiden. En hoeveel allusies op het boeddhisme treft een niet aan in zovele kalligrafieën, volksliederen en -uitdrukkingen!
Tijdens mijn bezoek aan een recente tentoonstelling ter gelegenheid van
Europalia-Japan, “De Mens en zijn Beeld” (Museum van Schone Kunsten, Brussel, 1989), werd mijn aandacht getrokken door een nogal somber schilderij, dat uit de XlVde eeuw dateerde. Het stelde Ippen Chishin voor, de diepgelovige boeddhist en beroemd zwerfmonnik, stichter van de Ji-shu (School van de Tijd), één van de Reine-Landscholen waar zo sterk de nadruk gelegd wordt op het reciteren van Amida’s Naam.
Maar wat in het bijzonder mijn aandacht weerhield, dat was het inschrift in cursieve sōsho-stijl, een kalligrafie neerritselend in vijf verticale lijnen waarmee deze “schilderrol in de hoogte” verrijkt was. In de catalogus trof men hiervoor volgende vertaling aan:
“Enkel Boeddha Amida
is heer over mijn lichaam en mijn leven.
Hoe zouden mijn handelingen dan van mij zijn
en mijn gedachten, van mij?
(Er is niets anders dan)
Namu Amida Butsu.”
Het ging in feite om een tanka of klein vijfregelig gedicht van een naamloos dichter. Maar men treft een ander gedicht met gelijkaardig thema aan in de Japanse bundel Geju Waka of “Boeddhistische gedichten” van de monnik Ippen.
Wanneer men zich er ook maar enigszins voor interesseert, dan vindt men dergelijke boeddhistische zinspelingen niet enkel in dichtwerken van het oude Japan, als b.v. in de haiku’s van Matsuo Bashō (gestorven in 1694), maar ook bij hedendaagse dichters. Zo vond ik op een in 1920 gemaakte voortreffelijke kalligrafie, de volgende tekst:
“Wanneer een monnik de tempelklok aanslaat,
dan verwekt hij vaak een klank
die nietszeggend is.
Maar het gebeurt dat zelfs door een zucht
mijn hart gegrepen wordt.”
Zinspelingen en boeddhistische uitdrukkingen treft men ook aan in de utai (dramatische gezangen voornamelijk geschreven door hoge religieuze dignitarissen), de jōruri (verhalen in versvorm), de naga-uta (soms erg lange gezangen) en de kleine, vierregelige liederen die men dodoitsu noemt, zo geliefkoosd bij de geisha’s. Lafcadio Hearn, in zijn Gleanings in Buddha-fields (1900) heeft enkele voorbeelden van die volksliederen opgetekend. Het weze me veroorloofd ook even bij deze bron te vertoeven.
Ziehier een zinspeling op het Rad van het bestaan, de kringloop van begoocheling en karma:
“Vader en moeder hebben het verboden;
en ik heb mijn minnaar verlaten.
Nochtans, met het wentelen van het rad
gaat mijn herinnering heen en weer.”
Volgend voorbeeld is bijzonder betekenisvol:
“Wolken opgestapeld vóór de maan,
op de bloemen onweer en regen;
op een of andere wijze is deze lijdenswereld
nooit zoals wij het zouden willen.”
Deze dodoitsu die verwijst naar een ongelukkige liefde, bestaat uit twee boeddhistische spreuken: de eerste zit vervat in de eerste twee verzen, en de tweede verwijst naar de ontgoocheling van dit aardse bestaan. Bovendien treft men in de oorspronkelijke tekst het woord ukiyo aan, dat voor de Japanner verschillende betekenissen heeft. Een ervan drukt een van de meest bekende boeddhistische begrippen aan: de droefheid bij het vluchtige en vergankelijke van het bestaan. Het is in deze zin dat dit woord meestal vertaald wordt als “de vlietende wereld”, zinspelend op de genotsoptiek van de 17de eeuw, - maar in het gedicht hierboven werd ukiyo vertaald als ‘lijdenwereld’.
De uitdrukking san-zen-sekai, ‘de drieduizend werelden’, waarmee volgend gedicht aanvangt, is een typisch boeddhistische uitdrukking:
“In de drieduizend werelden
moeten mannen wel ontelbaar zijn.
Nochtans, onder hen alle, is er geen
waartegen ik de mijne wil ruilen.”
Ik hoop in deze bescheiden bijdrage, uw belangstelling gewekt te hebben voor zinspelingen op boeddhistische thema’s die men zowat overal verspreid aantreft, tot in de kleinste dingen. Geloof me: het zal u niet moeilijk vallen er zelf heel wat te ontdekken bij uw lectuur.
|
|
|
|
|
|
Ekō 46 |
|
© 2004 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |