Katrien Haemers
Ik houd niet erg van TV-kijken, maar die avond brachten de omstandigheden mij in een luie stoel vóór het toestel, en ik bofte ook nog: er was een interview met Paul Simon, de Amerikaanse zanger van wiens muziek ik heel erg houd.
De eenvoud en de pretentieloze toon van de superster boeiden me gaandeweg. Bij het verhaal over het ontstaan van één van zijn platen, vertelde hij hoe hij de teksten geschreven had naar aanleiding van een reis die hij ondernomen had met zijn zoon. “Die reis heeft een driedubbele functie gehad,” zo zei hij, “een verzoening van mezelf met mijn zoon, een verzoening van mezelf met mijn eigen vader, en een verzoening met het verlies van de liefde.”
Die uitspraak bleef in mijn gedachten hangen. Het woord ‘verzoening’ bleef in mijn oren naklinken.
In de leer van de Boeddha spreken we dikwijls over ‘loslaten’, - en meestal denken we daar dan bij dat dit wel heel moeilijk is, om niet te zeggen onmenselijk moeilijk.
Onze verwachtingen, hoe bescheiden dan ook, hoe klein-zielig menselijk en egocentrisch, … ik wil ze ‘loslaten’, al was het alleen maar om minder lijden te ervaren.
Maar loslaten doet ook pijn.
Ik heb bewondering voor asceten, voor kluizenaars, voor mensen die alles en iedereen verlaten om zich uitsluitend op hun spiritueel doel te richten.
Ik heb bewondering voor Zen-meesters, voor de verhalen met bijtende humor, voor hun discipelen die zich de arm afhakken of met de glimlach een huis van zeven verdiepingen afbreken.
Ik heb bewondering voor de dichter die blij kan zijn met de sneeuw op zijn ziekbed.
Maar voorlopig lukt mij dat niet.
Het verlies van iets dierbaar, elke vorm van afscheid en afstand brengt pijn met zich mee, die me bekruipt en besluipt bij elk onbewaakt moment. En daarom klonk de term “verzoening” mij zo diep in de oren.
Verzoening wil de vergankelijkheid, pijn en verdriet aanvaarden, assumeren als een inherente eigenschap van het menselijk bestaan.
Ik ervaar de onbestendigheid, de niet-eenheid, de ambivalenties. Ik moet me niet koud of onverschillig maken: ik assumeer dit als een stuk menselijke existentie.
Geen vlucht in sublimatie, geen bravourestuk van heldenmoed, maar aanvaarden van het verschijnsel pijn in mijn bestaan, wetende dat ik een mens ben, dat niets menselijks mij vreemd is. Wetende ook waar oorzaak en gevolgen liggen.
Verzoening is ook het Grote Mededogen, het opgenomen worden in Amida’s licht.
Ook al slagen we er niet in de allerminste van de praktijken ten uitvoer te brengen, ook al hebben we nog geen minimum van onthechting bereikt, toch zijn we omarmd om nooit weer losgelaten te worden.
Dat is het Grote Mededogen.
|
|
|
|
|
|
Ekō 48 |
|
© 2004 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |