Danielle Girardin
Ik heb het steeds een voordeel gevonden dat het boeddhisme geen missioneringreligie is. Ik heb er zelf de pest aan wanneer mensen me een waarheid komen verkondigen waaraan ik geen boodschap heb, en ik wens dus ook niemand lastig te vallen op een soortgelijke manier. De Leer aan anderen op te dringen getuigt van een gebrek aan inzicht: iemand moet al een bepaalde gemoedsgesteldheid hebben om aandacht op te brengen voor de Leer en als die gesteldheid zich niet voordoet, helpt het ook niet door elke zondag aan te bellen.
Aan de andere kant is het ook niet in overeenstemming met de geest van de Leer om de Leer louter voor zich te houden, als een soort privé-tempel waarin je zelf tot rust komt, onbekommerd om de toestand van andere wezens die misschien ook rust zouden willen vinden. De Leer aan anderen onthouden, weerspiegelt een gebrek aan mededogen.
Nu, het midden tussen de Leer aan anderen opdringen en de Leer aan anderen te onthouden, bestaat erin de Leer beschikbaar te stellen, de anderen in de mogelijkheid te stellen om de Leer te zien. De moeilijkheid is hier dat het niet zonder meer duidelijk is waar dit eigenlijk op neerkomt.
De Leer beschikbaar stellen kan betekenen de Leer uitstallen, b.v. door de tempel open te stellen, door bereid te zijn erover te praten wanneer iemand er iets over vraagt enz., zodat zij die zin hebben om van de mogelijkheid gebruik te maken, dit kunnen doen, en zij die daar geen zin in hebben het kunnen laten. Hoewel dit zeker één manier is om wezens in de gelegenheid te stellen contact te maken met de Leer, denk ik dat dit op zichzelf niet voldoende is om helemaal in overeenstemming te zijn met de idee van het doorgeven van de Leer als een vorm van dana, zoals dit verbonden is met de Bodhisattva-gedachte. Want de Leer louter beschikbaar stellen in de zo net vermelde zin, heeft misschien al te zeer een vrijblijvend karakter, een soort ‘take it or leave it’ attitude… Dit sluit niet helemaal aan bij het actieve karakter van het beoefenen van de paramita’s, en dus van dana.
Om dat actieve karakter nu in te brengen in de idee van het beschikbaar stellen van de Leer, kunnen we naar het concept van ‘handige middelen’ (upaya kausalya) of ‘handigheid in middelen’ grijpen. Immers, het boeddhisme doet zich niet voor als een ééngemaakte doctrine of een uniform credo, maar als een verzamelbekken van teksten, leringen, legenden, scholen, beelden, attitudes, metaforen e.d.m. en hier kan uit geput worden naargelang de situatie en de behoefte van de context; er doet zich dus een veelheid van mogelijkheden voor om een wezen in contact te brengen met de Leer.
Ik ben hierover beginnen nadenken toen ik merkte hoe verschillend ikzelf reageer op verschillende beelden of metaforen die het boeddhisme aanreikt. Sommige beelden laten me neutraal, andere zijn onmiddellijk betekenisvol of krijgen mettertijd een vertrouwd karakter, en nog andere beelden maken me eerder weerspannig. Zo b.v. houd ik van het beeld van de Ander-Kracht die altijd ongehinderd werkzaam is; maar personaliserende beelden zeggen me niets. Maar uiteraard kan dit voor anderen totaal anders liggen, al naargelang hun culturele achtergrond, persoonlijke geschiedenis en persoonlijkheidsstructuur. Handigheid in middelen vereist alzo een inzet van onze kant zelf, een opbrengen van de aandacht om te zien wat er bij een bepaalde persoon leeft, wat zijn behoeften zijn en wat een voor die persoon passend contact met de Leer zou vormen. Wanneer we aan iemand een beeld of een attitude aanreiken die niet bij die persoon (of bij de context) past, is er niemand die er wat aan heeft.
Maar hierbij mogen we niet vergeten dat ook wijzelf deel zijn van de situatie. Handigheid in middelen is alzo een relatie tussen drie termen: het wezen dat de middelen aanwendt, het middel zelf, en het wezen naar wie het gericht is. Maar dat betekent dat de middelen die passend kunnen aangewend worden niet alleen beperkt worden door de mogelijkheden en beperkingen van het wezen dat we in contact brengen met de Leer, maar ook door die van onszelf: als een ‘ik’, met alle beperkingen die dat inhoudt, kan ik niet op authentieke wijze gelijk welk middel hanteren. Er zijn beelden, attitudes, gemoedsgesteldheden e.d.m., die je nu eenmaal niet kunt doorgeven als je ze zelf niet gerealiseerd hebt, of die heel inauthentiek overkomen wanneer je het toch probeert, al was het alleen maar omdat je voelt dat wat je zegt of doet in zo een geval eigenlijk vreemd is aan jezelf.
Dat hoeft ons niet te verontrusten. Alleen vanuit het Boeddhaschap zelf is er perfecte dana; vanuit het ‘ik is het een beetje roeien met de spanen die men heeft, een soort gissende en missende dana maar toch dana: als het doorgeven van de Leer, opdat wezens die door angst geteisterd worden rust zouden vinden, om wezens die door begeerte verblind zijn wijsheid bij te brengen, om wezens die door haat geïsoleerd zijn welwillendheid te leren kennen, om wezens die door wanhoop verstoord zijn vertrouwen te schenken.
Namu Amida Butsu.
|
|
|
|
|
|
Ekō 48 |
|
© 2004 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |