Indrukken En Bedenkingen Bij Een Terugreis

Sh. Myoukai Rutger Franck

Behoedzaam de Trabi en allerhande onverwachte slijtagehindernissen in het wegdek ontwijkend, reed ik met mijn vrouw huiswaarts over de verwaarloosde autowegen van de voormalige DDR, nu omgedoopt tot “Neue Länder”.

Ik had al eerder kunnen vaststellen dat, net zoals in de Bondsrepubliek, ook hier de linker rijstrook voorbehouden is voor de (fonkelnieuwe) Mercedessen en BMW’s, evenwel met dit opvallend onderscheid dat de Oost-Duitse chauffeurs zich nog altijd iets gedisciplineerder en net iets minder arrogant gedragen dan hun West-Duitse landgenoten.

Na een verblijf van een week in het keurvorstelijk Sachsen, met een schokkend weerzien van een eens totaal verwoest maar nu gedeeltelijk - meestal in kazernestijl - wederopgebouwd Dresden (1) (waar ik tijdens de oorlogsjaren drie jaar als kind verbleef) en een kort maar fascinerend bezoek, over kronkelige wegen, aan de diepe ravijnen, de grillige rotsformaties en de steile bergwanden van de “Sächsische Schweiz”, was ons oponthoud in het Tsjechische Bohemen, met Karlsbad en vooral Praag als eindbestemming, een absoluut hoogtepunt.

Praag en het “Moedertje van Kafka”…

Want Praag is absoluut onvergetelijk. Het is een stad met vele sferen, waar talrijke kunstenaars hun inspiratie vonden. Smetana componeerde hier zijn symfonie “Mijn Vaderland”, Kafka schreef er zijn beroemde werken en Mozart vond er de rust voor het componeren van zijn opera’s.

Het historisch centrum is één groot openluchtmuseum waar de bekommernis om monumentenzorg, in tegenstelling met wat we vaak in onze streken vaststellen, geen dode letter is maar integendeel behoort tot de culturele traditie: barokke paleizen, gotische gebouwen, authentieke middeleeuwse straatjes en historische wijken en de talrijke bruggen over de Moldau maken van Praag een van de mooiste steden van de wereld. In tegenstelling met wat je in de voormalige DDR kunt vaststellen, heeft de geliberaliseerde politiek van de Tsjechoslowaakse overheid en de enkele jaren privé-initiatief geleidelijk de meeste sporen van de socialistische geleide economie grotendeels weggewist.

Na me zeven dagen in haar greep vastgehouden te hebben, zou Praag, het “Moedertje met klauwen dat je nooit meer loslaat” me met tegenzin uit haar greep lossen. Op deze metafoor van Kafka zal ik later nog terugkomen,

Vertwijfeling in de Nieuwe Bondslanden

Vóór me zag ik de mij nu vertrouwde zelfklever op een bumper van een Trabi; “Ich deutsche, ich nix verstehen.” Het waarom van deze ironische maar van diep politiek inzicht getuigende zinspeling wordt voor de Westerling, na enkele dagen verblijf en gesprekken met de inwoners van de nieuwe Bondsstaten duidelijk.

Op de nieuwe spelregels van de vrije markteconomie, die onverbiddelijk stellen dat je eerst je prestatie en rendement dient op te drijven vóór je aanspraak kunt maken op de weldaden van een overvloedmaatschappij, reageert de Oost-Duitser alsof hij of zij het in Keulen - of beter in Bonn - hoort denderen. Het wordt nu voor de burger van de Neue Bundesländer duidelijk dat de (nu westerse) banken niet zomaar bereid zijn kredieten toe te staan voor het financieren van b.v. dure West-Duitse auto’s wanneer je niet solvabel bent. Een klein detail dat de West-Duitse televisieprogramma’s en media hem altijd verzwegen hadden.

De Oost-Duitser begint zich dus te bekommeren over zijn solvabiliteit en zijn dagelijks bestaan, maar weet vaak niet van wat hout pijlen te maken. En als klap op de vuurpijl “Made in Westen Germany” dient hij/zij zich nu bovendien ook nog te beveiligen tegen diefstal, inbraak, vandalisme, overvallen en misdaad. “Das darf doch nicht sein!“ zuchtte onze gastvrouw die ons in Dresden een kamer met douche (30 DM per persoon en per nacht, want in de voormalige DDR zijn hotels uiterst dun bezaaid en bovendien onbetaalbaar) verhuurd had. Een van de gevolgen van deze stand van zaken is dat het gevreesde Duitse “uiterst rechts” meer en meer van zich laat horen - en zien! - en dat deze beweging steeds meer succes blijkt te hebben.

Dat waren enkele van mijn reisindrukken die, op hun beurt, gedurende mijn hele terugreis, de aanzet waren voor een reeks bedenkingen over het “hier en nu”, over oorzaken en gevolgen, over het lijden. Zo ook gingen mijn gedachten naar de eerste oorzakelijkheidtrap van de Pratitya Samutpada die stelt dat avidya, onwetendheid, leidt tot duhkha, het lijden in al zijn vormen en dat, op zijn beurt, onafscheidelijk verbonden is aan elke bestaansvorm, met daartussenin verweven ontelbare factoren van oorzaken en gevolgen die zich voortdurend, op allerhande manieren, manifesteren in ons bestaan.

“Vlaanderen Leeft” en “Vlaanderen Belooft”

Mijn gedachteassociaties vonden enige tijd nadien, op mijn terugweg in het mij meer vertrouwde Vlaams Brabant, verdere stof tot bedenking.

Ik werd door onze overheid (of door een van onze meerderheidspartijen?) verwelkomd met gevelhoge borden langs de autoweg “Vlaanderen gaat nog een eeuwigheid mee” en “Vlaanderen heeft nog toekomst”, zo werd me verzekerd. En in mijn brievenbus trof ik zelfs een fraai verzorgde brochure aan, die me erop attent maakte dat “Vlaanderen leeft” en dat “Vlaanderen belooft” (sic!). Ik voelde me door al deze positieve en geruststellende informatie overrompeld. Stonden er soms verkiezingen voor de deur?

Maar aangezien ik boeddhist ben, doordrongen en overtuigd van de wetenschap dat alles onbestendig is, was ik meer geneigd deze sympathieke blijken van belangstelling van mijn overheid te nemen voor wat ze zijn: nietszeggende irreële politieke manipulatie. Bovendien, zo dacht ik, is voor de boeddhist niet de toekomst belangrijk naar wel het nu, zoals Joost van den Vondel het zo treffend met het kortste gedicht uit ons Nederlands taalgebied onder (twee) woorden bracht “Nu!”.

Wij, hier en nu

Nu zou ik Vondel, terwille van de leidraad van mijn bedenkingen, even willen plagiëren met een parafrase, eigenlijk een aforisme: “Wij, hier en nu”, waarmee ik met ‘wij’ onze Sangha bedoel, met ‘hier’ onze tempel en met ‘nu’ het moment, dat voor ons, boeddhisten, van wezenlijk belang is.

Wanneer we onze toevlucht nemen tot de Boeddha, drukken we dat uit, volgens eeuwenoude traditie, in de Triratna, bestaande uit de Drie Edelstenen: de Boeddha, de Dharma - de Leer, en de Sangha - de (boeddhistische) gemeenschap.

En is voor ons (‘wij’) de tempel (‘hier’) niet de plaats bij uitstek waar we ons (‘nu’) kunnen bezinnen over de diepe betekenis en de waarde van onze toevlucht? Maar in tegenstelling met onze overheid, ‘belooft’ onze tempel niet. Evenmin kunnen we ons uitspreken over zijn toekomst en nog minder over zijn eeuwigheid.

Wèl vind ik dat onze tempel, als plaats van huldiging en bijeenkomst van onze Sangha, leeft.

Bij de aanvang van elke eredienst, wanneer onze gedachtemachine even tot rust kan komen, tijdens een moment van bezinning, hebben we de gelegenheid te reflecteren over onze existentiële situatie, wanneer we ons ‘zelf’ (hoewel beseffend dat ons bestaan gekenmerkt is door ‘zelf’-loosheid) kunnen ontmoeten in de ontmoeting met Amida Buddha (2). Het is de plaats bij uitstek waar we de diepe betekenis van de Dharma overwegen, om het Grote Vertrouwen in Amida Buddha uit te diepen. (3)

In Jiko-ji bundelen we ook het spirituele en het intellectuele; het gezellig samenzijn na de dienst schenkt ons de vreugde door het uitwisselen van gedachten en persoonlijke ervaringen en is vooral leerzaam wanneer deze gesprekken handelen over de Dharma.

Rennyo Shonin

Over onze Sangha en de tempel waar we bijeenkomen, beste vrienden, schreef Rennyo Shonin, de 8ste Abt van de Honganji in zijn Dialogen (4) enkele aanbevelingen waarvan de diepe betekenis ook voor ons vandaag nog altijd actueel is. Wel wil ik erop wijzen dat de verwoording van zijn aanbeveling in hun juiste historische, culturele en traditionele context dient geplaatst te worden. Het is dan ook voor de hand liggend dat ze niet altijd als richtlijnen of regels geïnterpreteerd mogen worden. Ik citeer ze dan ook enkel ter overweging of als mogelijk gespreksthema.

Rennyo Shonin spoorde aan tot eenvoudige, duidelijke, heldere taal (brief nr 70), tot respect en ontzag voor elkaar (brief nr 108), tot verdraagzaamheid in het denken van andere ego’s (brief nr 80) en wees erop dat de tempel geen plaats is voor opschepperij en pronken met kennis (brief nr 122).

 “Enkel diegenen die genoegen scheppen in het lezen en zingen van de sutra’s zullen kinderen en volgelingen van de Boeddha zijn”, zo luidt zijn aansporing. Nog een gedachte van Rennyo Shonin die treffend illustreert hoe hij zich persoonlijk volledig op de achtergrond plaatste en zelfs achterklap en geroddel omtrent zijn persoon positief benaderde: “De meeste mensen worden boos wanneer onaangename dingen over hen achter de rug verteld worden. Maar dat is niet noodzakelijk slecht: het is een gelegenheid tot leren en verbeteren van persoonlijke fouten en tekortkomingen.” (brieven nr.126 en 195).

En verder:

“In het Boeddhisme, dat zelfloosheid leert, behoren we alle verlangens van meerderwaardigheid te verdrijven. De Leer van de Boeddha en het zich losmaken van het ego is de weg vrijmaken voor de heilzame werking van Amida Buddha.” (brief nr. 160)

Verder geeft Rennyo Shonin nog deze wenken: “Hoe klein het vertrouwen in het bereiken van het Boeddhaschap ook moge zijn, wanneer men aandachtig naar de leerredenen in de tempel luistert, zal men het Diepe Vertrouwen in het Mededogen van Amida Buddha verkrijgen.” (brief nr. 193) “Diegenen die tijdens het gezellig samenzijn zwijgzaam blijven, tonen gebrek aan vertrouwen in Amida Buddha. Eloquentie, mooie, sierlijke taal en proza, is niet noodzakelijk. Wij behoren te praten zoals ons hart ons ingeeft.” (brief nr. 203) “Het is heilzaam wanneer datgene wat gezegd wordt, begrepen wordt. Zonder vertrouwen is alles nodeloos.“ (brief nr. 215) “Enkel door waakzaam toe te luisteren, verkrijgt men dieper inzicht in de Leer. Vragen stellen is heilzaam. Hoe meer je leert, hoe meer kennis en begrip je krijgt.” (brief nr. 229) “Samenzijn met volgelingen van de Boeddha is heilzaam en leerrijk. Al wat gedaan en gezegd wordt, is geïnspireerd door de Leer van de Boeddha en is dus heilzaam.” (brief nr. 299)

Tot daar enkele citaten uit de Dialogen (Goichidai Kikigaki) van Rennyo Shonin. Tot slot een citering uit de Dhammapada: “De volgelingen van de Boeddha zijn steeds waakzaam en hun gedachten zijn altijd gericht op de Boeddha, de Dharma en de Sangha.”

…Onze moeder/vader Oyasama, Amida Buddha

Bij de aanvang van mijn reisindrukken maakte ik me de bedenking dat Praag, “het moedertje met klauwen dat je nooit meer loslaat”, na me enkele tijd in haar greep gehouden te hebben, mij met tegenzin uit haar omhelzing losgelaten had. In tegenstelling tot Moedertje Praag, zo dacht ik, hebben wij ook onze moeder/vader Oyasama (5) de Mededogende Amida Buddha, die ons nooit meer uit haar/zijn greep lost.

En samen met Rennyo Shonin (brief nr.180) heb ik het gevoel dat we hier, in onze tempel, meer dan om het even waar, het sterkst het verlangen voelen opkomen om onze dankbaarheid uit te drukken voor onze moeder/vader Oyasama, de Mededogende Boeddha, die ons nooit meer loslaat, met deze drie eenvoudige woorden:

Namu Amida Butsu

(1)       In de nacht van 13 op 14 februari 1945 (tijdens de feeststemming van Aswoensdag) vielen op het centrum van de wereldvermaarde kunststad Dresden, in drie opeenvolgende golven en gedurende drie volle uren, 650 000 brandbommen. De stad had geen strategische doelwitten. Naar schatting kwamen 350 000 tot 600 000 mensen (waaronder enkele honderdduizenden vluchtelingen uit Oost-Duitsland en Polen) op de meest gruwelijke wijze, als brandende toortsen of door verstikking, om het leven (ter vergelijking 71 379 in Hiroshima). Van de 36 000 woningen in het centrum bleven er enkel 7 400 onbeschadigd over. De stad heeft twee dagen gebrand en bleef nog drie dagen lang doorsmeulen (“The Destruction of Dresden”, David lrving, bevelhebber over het bombardement).

(2)       Eko 39.

(3)       Eko 33.

(4)       ‘Buddhism and Jodo Shinshu’, BCA, 1955, in onze tempelbibliotheek.

(5)       The Pure Land Vol. 3 nr 2 (verschillende bijdragen), evenals ‘Out of the Mud Grows the Lotus’, pp.120, 172 enz.

Ekō 50

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

            home