Sh. Myoukai Rutger Franck
Het valt niet makkelijk over ‘iets’ te praten dat onwezenlijk is - en dus niet bestaat - en in zekere zin, maar alleen in ‘zekere’ zin, dan toch eigenlijk ook wél bestaat.
Als het dan wél bestaat, is dat alleen in een losse, samengestelde vorm. Toch ga ik trachten over dit niet-bestaande iets, iets zinnigs, ja zelfs iets wezenlijks te zeggen. Ik verzoek jullie dus allemaal om begrip, een uiterste inspanning te leveren, te doen alsof datgene waar ik over ga praten voor jullie duidelijk bevattelijk is.
Het ‘iets’ waar ik het over ga hebben, is het enige dat voor mij, in deze wereld, belang heeft. Dat ‘iets’ is zelfs als het ware ‘door zich zelf’ tot stand gekomen in die zin dat het zichzelf naam en vorm heeft gegeven. Dat getuigt dus van een zekere creativiteit, op zichzelf een pluspunt én een probleem.
Mijn iets heeft nog talrijke andere talenten.
Het is het enige dat voor mij echt is, degelijk, waardevol, eminent, buitengewoon,
voornaam, voortreffelijk, ja zelfs superieur, onfeilbaar en volmaakt... en ik
beperk me tot zijn voornaamste kwaliteiten.
De geaardheid van dat ‘iets’ is zo, dat al het andere niets anders kàn zijn dan niét echt, niét degelijk, niét waardevol, niét eminent enz.
Nu heb ik met mijn ‘iets’ nog een derde probleem: ik ben eraan gehecht. Het is de oorzaak van al mijn gehechtheden en problemen.
Als ik er goed over nadenk, dan is dat “x”, dat ongedefinieerde iets, een constante, nooit droogvallende bron van al mijn lijden. Het vertoeft, naar men zegt, in een soort irreële schemerwereld van zijn eigen creativiteit, waardoor het komt dat, wanneer het b.v. mensen ziet, zoals de blaasvis van de dichter Issa, dat iets uitroept: “Waow, wat een afschuwelijke gezichten toch!”
Maar daarmee is de kous van de onwezenlijke werkelijkheid van het wezenloze wezen niet af. Wetenschappers zijn nl., na ernstige studie over het wezenloze iets, tot de vaststelling gekomen dat er nog vele andere al even niet-bestaande componenten in de natuur aanwezig zijn. Volgens een laatste telling zouden dat er meer dan 4 miljard zijn.
En al die soortgenoten bezitten, naar men zegt, dezelfde degelijke, buitengewone eigenschappen en kwaliteiten. Maar persoonlijk betwijfel ik dat, want ik heb kunnen vaststellen, na al even ernstige studie, dat mijn ‘iets’ absoluut enig in zijn soort is, temeer daar ik ergens gelezen heb dat ‘mijn’ iets zichzelf beschouwt als het absolute middelpunt van alle bestaande (ik hoop dat jullie nog kunnen volgen?).
Jammer genoeg, mijn beste vrienden, heeft dat unieke iets van me enkele heel kleine maar jammerlijke gebreken.
Zo is mijn ‘iets’ tamelijk onwetend. Het heeft de aangeboren onhebbelijkheid nl. alles dichotomisch te zien, alles als het ware ‘dubbel’ te zien zoals een dronkaard het slot van zijn voordeur ziet.
Jullie zullen, op dit punt gekomen, ongetwijfeld willen vernemen waar dat hogere onfeilbare wezen van me ergens vertoeft. Nou, de duidelijkste omschrijving van die plaatsbepaling is “ergens heel hoog op een ivoren toren”. Misschien is dat, plus zijn onwetendheid, er wel de oorzaak van dat mijn ‘iets’ zo dwaas en zo onverdraagzaam is en het zo een hoge dunk van zichzelf heeft.
Mijn dierbare vrienden, het probleem stellen is ook het antwoord erop geven: Ik ben tot de bevinding gekomen dat er maar één ‘iets’ is dat aan al deze parameters beantwoordt, dat zo onwetend, zo dwaas, zo gehecht, zo ingenomen met zichzelf kan zijn, zulke absurde dichotomische denkfouten kan begaan en zichzelf zo een irreële wereld kan aanmeten en er zich kan in opsluiten...
Mijn conclusie is dat dat ‘iets’ van me... mijn eigen ego is. Dat ‘iets’ ben ikzelf!
Neem nu bijvoorbeeld onze conflicten met die ‘anderen’…
Het ligt in onze aard andere wezens niét als even degelijke mensen te beschouwen, niét als broeders en zusters, niét als mede-pelgrims op hetzelfde pad in dezelfde wereld van de samsara-illusie, maar eerder als rivalen, in het beste geval gewoon als ‘de anderen’. Het verschil tussen hen en wij ligt evenwel niet bij de andere mens die we beoordelen, maar ligt bij onszelf.
Ons bestaan wordt eigenlijk enkel door de conflicten gekenschetst die hun oorsprong vinden bij onze eigen maatstaven en beoordelingsfouten. Wanneer we anderen als gelijke en evenwaardige mensen beginnen te beschouwen, betekent dat niet dat zij eindelijk evenveel morele volwassenheid, wijsheid, begrip en tolerantie opgebracht hebben. Integendeel: dat betekent dat wij uiteindelijk volwassenheid, wijsheid en tolerantie opgebracht hebben.
… of onze “kromme” manier van anderen te beoordelen
Er is een oud Zen-verhaal waar een diepe wijsheid in verbonden ligt, zoals in alle Zen-verhalen. Het luidt zo ongeveer als volgt:
“Ergens in Japan stond eens vóór de ingangspoort van een monnikenklooster een kromme dennenboom. Op zekere dag plaatste de oude Zenmeester een bord voor deze dennenboom met het opschrift dat diegene die deze kromme dennenboom ‘recht’ zag, de tempel van het klooster ten geschenke zou krijgen. Niemand van de monniken vond het antwoord. Hierop verklaarde de Zenmeester dat de enige manier om deze kromme boom ‘recht’ te zien, is die kromme boom als krom te zien.” (Een andere versie wil dat één monnik met het juiste antwoord bij de Zenmeester (3) kwam en dat deze laatste uitriep: “Jij bent bij Rennyo Shonin (4) gaan aankloppen! Alleen hij kon je het juiste antwoord gegeven hebben!”)
Kubose, in zijn “Everyday Suchness”, vertelt ons het (ware?) verhaal van die huisvrouw (of ‘huisman’ om de seksisten onder ons niet te krenken) die bij haar buurvrouw (of bij zijn buurman, dus) enkel slordigheid, luiheid en onvolmaaktheden zag. Zelfs de gewassen lakens die in haar tuin te drogen hingen, zagen er nog vuil uit. Een bezoekende vriendin maakte haar erop attent dat, indien zij haar ramen eens zou lappen, de lakens van haar buurvrouw en haar tuin er veel schoner zouden uitzien.
De noodzaak van zelfkennis en zelfinzicht - de eerste stap
Wanneer ik over dit alles nadenk, beste vrienden, dan kom ik tot het besluit dat we eerst onszelf dienen te kennen.
Zichzelf kennen, zélf nagaan, zélf ervaren, was eigenlijk de eerste leerrede van de Boeddha. Ook Socrates raadde dat, met zijn gevleugeld gezegde “Ken jezelf”, zijn leerlingen aan. Dat komt neer op de noodzaak, volgens Kant, zichzelf op te voeden tot autonoom, d.w.z. ‘vrij’ mens. Wanneer we ons ‘zelf’ kennen, onze ware geaardheid hebben leren er-kennen en ze doorgrond hebben, zijn wij inderdaad ‘vrij’ en hebben we de eerste stap in de richting van verdere kennis gezet.
En dan zou het wel eens kunnen gebeuren dat we ons in de situatie bevinden waarin de dichter Tagara aanbeland was, zoals Kubose ons vertelt in zijn hiervóór aangehaald boek: “Meneer Tagara was een geleerd man en bekwaam dichter. In zijn plaatselijke gemeenschap genoot hij aanzien en ontzag voor zijn leiderschap, innemendheid en grote kennis. Maar tegenover zijn vrouw was hij bars, betweterig, eigenwijs en bezig. Mevrouw Tagara was dan ook zeer ongelukkig. Nochtans bleef zij van haar man houden. Regelmatig kreeg Tagara bezoek van een vriend van hem die Yamada heette, maar ook voor zijn vriend had hij nooit een goed woord. Nooit vond hij de tijd om met zijn vriend te praten omdat die toch maar nonsens vertelde. Maar plots werd Tagara blind. En plots wachtte hij vol ongeduld op elk bezoek van zijn vriend en luisterde hij vol belangstelling naar al wat zijn vriend hem kwam vertellen. En op zekere dag riep de blinde Tagara zijn vrouw tot zich en vroeg haar heel dicht bij hem te komen zitten. Heel dicht. Hij nam baar handen vast... en plots waren er tranen in zijn ogen.
‘Yoshiko,’ zei hij tegen zijn vrouw, ‘ik realiseer me ineens hoe ik je jaren lang ongelukkig heb gemaakt. Nu weet ik hoe lief je heel die tijd voor me bent geweest en hoe egoïstisch en stug ik was. Nu pas besef ik wat ik je allemaal heb aangedaan en wat jij hebt moeten ondergaan. Daarop omhelsden ze elkaar en huilden ze beiden van vreugde. Het was de eerste keer dat ze elkaar werkelijk begrepen en gevonden hadden. Nog nooit was Tagara zo gelukkig geweest en tegen zijn vrienden zei hij zelfs dat hij blij was dat hij zijn gezicht verloren had, want dat hij daardoor een geestelijk in-zicht gekregen had in vele dingen die hij vroeger niet ‘zag’.”
Meneer Tagara had de eerste stap in het ‘zelf’-inzicht gezet.
Twee leerrijke vergelijkingen
De Struikel-blok (eigenlijk een struikel-‘steen’)
Iemand struikelde eens over een steen en bezeerde zich erg. Hij vond dat, als er geen steen op zijn weg had gelegen, hij er zich ook niet aan bezeerd zou hebben, en hij er ook niet boos of ongelukkig over geweest zou zijn. Nochtans liepen ook andere mensen over die weg zonder zich aan die steen te bezeren. De oorzaak van zijn ‘lijden’ lag dus niet bij de steen maar bij hem zelf.
De Eenvoud van het water
Water neemt de vorm aan van het recipiënt waar het zich in bevindt. Het behoudt zijn natuurlijke vorm. Het is niet hooghartig, past zich aan, stelt zich tevreden met zichzelf te zijn. Het is nederig en gedwee, streeft er nooit naar de ‘top’ te bereiken; het is rustig en vredelievend, doet nooit ‘alsof’ en heeft geen behoefte of verlangen om ‘kunstmatig’ te doen.
Maar toch is water ook een dynamische kracht die generatoren doet aandrijven, stevige muren kan doen barsten en dijken kan doorbreken. Het stuwt stenen en aarde van de hoogste bergtoppen naar de diepten van de oceaan. Zelfs het langzame druppelen kan gaten en groeven in rotsen en stenen veroorzaken.
Water is de bron van alle leven.
De oceaan, ten slotte, ontvangt alle vuile waters van stromen en rivieren, om ze te zuiveren en op te nemen.
Wanneer ook wij de ingesteldheid van water en van een oceaan zullen hebben, dan zullen ook wij anderen in ons kunnen opnemen zoals ze zijn, zonder aanstoot aan hen te nemen.
Laten we onze toevlucht nemen tot de Boeddha, de onmetelijke, onbevatbare, oneindige oceaan van Leven en Licht, Amida Buddha, die ons opneemt zoals we zijn, in zijn mateloze oceaan van Mededogen. “Iets” in mij zet me ertoe aan deze drie woorden van dankbaarheid te zeggen:
Namu Amida Butsu!
(3) nl. Ikkyû (1394-1481).
(4) Hoofdabt van Honganji, ook genoemd de Tweede Stichter van de Jodo Shinshu (1414-1499).
|
|
|
|
|
|
Ekō 51 |
|
© 2006 |
|||||
| home |