Daniëlle Girardin
Een tijd geleden (7) vertelde Katrien over de woede die ze voelde toen een maaimachine bezig was alle bloemen op de berm van een weg af te rijden, en over hoe ze in het reine trachtte te komen met die woede door te wijzen op i-shin, de eensgerichtheid van het gemoed op het heilzame.
Ik moet bekennen dat wanneer ikzelf geconfronteerd word met dergelijke situaties, mijn ergernis en kwaadheid meestal duidelijk de bovenhand hebben op gedachten aan het heilzame of op ervaringen van mededogen. Maar als je dan de aandacht richt op die ergernis zelf, ze tot object van het bewustzijn maakt, dan wordt het mogelijk te zien hoe ze samenhangt met andere fenomenen In het bewustzijn, en dan wordt het mogelijk te ervaren waar die ergernis eigenlijk vandaan komt, en de wortels ervan kunnen voor verschillende mensen anders liggen.
Je moet je Katriens situatie eens voorstellen: je staat daar in een wei, het is voor de eerste keer in weken terug een beetje zonnig, de bloemenknoppen hebben hierop gewacht om zich te openen, je ademt de geuren in, je hoort het geluid van insecten, en dan plots komt daar die machine en alles is weg...
We hebben allemaal wel soortgelijke ervaringen. Misschien heb je een plek waar je soms naartoe gaat, een van de weinige stukjes spontaan groen aan de rand van de stad — een miniatuur-wildernisje als het ware. En op een dag kom je daar: er staan bulldozers, alles wordt met de grond gelijk gemaakt, en ze zetten er een monster van een gebouw.
Vanwaar de woede die oprijst in dergelijke situaties?
Uiteindelijk denk ik dat die woede oprijst omdat je impliciet een vergelijking maakt tussen de concrete, geleefde wereld waarin al die dingen gebeuren, en een ideale, geconstrueerde wereld in je hoofd, waarin het allemaal anders is, en die als waardeschaal dient om deze wereld te beoordelen in termen van goed en kwaad, wenselijk en onwenselijk.
Maar wat is het statuut van die ideaal-wereld?
Uiteindelijk gaat het hier om een voorstelling in het bewustzijn, een wereld die de geestelijke kristallisatie is van een vaag verlangen, een nostalgie, een beeld van een aards paradijs, vervuld van wat Nietzsche het “groene-weide-geluk” noemt.
Het beeld van zo een dergelijke ideaalwereld is niet iets dat persoonlijk van Katrien komt, of van mij; het is eigen aan ons mens-zijn zelf. In elke cultuur treffen we dergelijke beelden aan. Wanneer we ons beperken tot de westerse traditie, zien we het opduiken in het Genesisverhaal, in het beeld van de edele wilden die in harmonie leven met elkaar en met de wereld rondom, in de utopieën en in de recente gedachte dat het vroeger beter was, en ‘vroeger’ kan zijn in grootmoeders tijd, in de agrarische middeleeuwen, in de tijd van de Kelten, of in de tijd van de pre-Keltische megalietenbouwers.
We geloven dat de mensen in dergelijke werelden gelukkiger waren, dat ze wijzer waren, dat ze meer respect hadden voor de natuur, dat hun onderlinge relaties warmer waren, etc. etc. Ze vormen als het ware het spiegelbeeld van de eigen tijd, ze vertegenwoordigen al wat we denken in onze eigen tijd, onze eigen cultuur of ons eigen leven verloren te hebben.
Maar wat gebeurt er wanneer we die werelden van nabij bekijken? Neem bijvoorbeeld de idee van de edele wilde. Stel je voor dat je bij de Akka bent, een volk i het noorden van Thailand. De zon schijnt, het uitzicht is prachtig, je ruikt de geuren van de varkens, de aarde en het woud dat het dorp omringt, de kinderen zien er vrij en gelukkig uit. En je voelt je diep tevreden. En het volgende moment zie je dat iemand zonder enige reden een hond trapt, en plots besef je: ze zijn niet wilder en edeler dan ik, dan mijn kruidenier of dan mijn collega’s. Hun wereld is evengoed als de onze doortrokken van kleingeestigheid, onverschilligheid, domheid, vernielzucht etc. Het zijn mensen van vlees en bloed zoals u en ik, met allerlei onhebbelijkheden, en dikwijls gewoon onuitstaanbaar.
Maar neem dan de utopieën, daar waar het niet gaat om mensen van vlees en bloed, maar om geestelijke werelden die een auteur heeft uitgedacht als een ideale wereld van mensen. Maar als je de teksten zelf leest, b.v. Nova Atlantis van Bacon of de Zonnestad van Campanella, dan komt daaruit een natuurvijandige, autoritaire samenleving naar voren, waarin mensen totaal gedepersonaliseerd zijn en waarin het leven van de individuen tot in de kleinste details geregeld is. In vergelijking ermee is een militaire kazerne een oase van vrijheid.
Zelfs in zijn louter geestelijke constructies slaagt de mens er blijkbaar niet in een ideaalwereld te bedenken waarin een menselijk leven van werkelijke vrijheid en vervulling mogelijk is. De mensen die ronddwalen in de utopische teksten zijn als schimmen in de wurggreep van een volmaakte orde.
Maar wat blijft er dan nog over? Wanneer de mens blijkbaar niet in staat is me een hierzijdse, aardse ideaaltoestand te creëren, noch in feitelijke samenlevingen noch in utopische teksten, moeten we dan maar vrede nemen met gelijk wat dat er gebeurt, met het argument dat het toch nooit volmaakt is, dat het vroeger niet beter was en dat het later niet beter zal zijn, - hooguit anders.
Hier lopen we als boeddhisten misschien het gevaar ons terug te trekken in een contemplatieve wijsheid, een gedesinteresseerd kijken naar de wereld als een caleidoscopisch spel van fenomenen die oprijzen, zich ontvouwen tot een configuratie die zelf dan ook weer desintegreert, hierbij nieuwe configuraties vormend. Maar dit is een ideologisch standpunt. Religie in deze onwereldse zin is misschien niet zozeer de opium van het volk, maar eerder het speelgoed van intellectuelen.
Want er is geen standpunt vanwaaruit we van buitenaf naar de wereld kunnen kijken. We leven in het spel van de fenomenen, we maken er deel van uit, datgene wat we het ik noemen is trouwens zelf een samenspel van vergankelijke fenomenen. Het is dan ook in de wereld dat we kunnen handelen, niet louter contempleren. Zo komen we bij de vraag die ook tal van westerse filosofen heeft bezig gehouden, en die is in een of andere vorm waarschijnlijk universeel menselijk, namelijk: Wat moet ik doen om goed te handelen?
Ik denk dat het boeddhisme hierop geen algemeen geldend inhoudelijk antwoord kan geven. Het boeddhisme reikt geen utopie aan; het gaat niet om een keuze tussen een feministisch socialisme of een ecologisch anarchisme.
Wanneer religie gebruikt wordt om een politieke leer te gronden, wordt het ideologie. De Leer kan hooguit de gerichtheid van ons handelen aangeven, niet de concrete inhoud. Deze moet ieder in de eigen situatie vorm geven. Het gaat om de gerichtheid inzicht te verwerven in de ik-gebonden conditioneringen en motivaties die ons handelen sturen, en o vanuit dit inzicht in onszelf de ruimte te creëren waarin een ander handel kan oprijzen, een handelen dat de uidrukking is van wishei en mededogen zelf, een handelen dat we niet bewust gekozen hebben, maar dat zich spontaan ontvouwt.
En vanuit dit handelen ontmoeten we de Ander. En het kan zijn dat we ons in dit gebeuren plots bij gelegenheid omringd weten door bankiers en anarchisten, door pastoors en prostituees, door asceten en junkies, door lekenbegeleiders en door levensgenieters.
In dit handelen ontmoeten we vreemde gezellen, en onze ontmoeting kan er een van conflict zijn, ook dat behoort tot de menselijke bestaanswijze. Maar ook i het conflict zijn we niet van elkaar afgescheiden; ook in conflictsituaties zijn we als wezens met elkaar verbonden. Want op welke wijze ook onze werelden contact maken, het is steeds in Ander Kracht dat we elkaar ontmoeten. Het is in Ander Kracht dat de maaimachine vertraagt, het is in Ander Kracht dat de maaier en Katrien, de jager en het wild, de dader en het slachtoffer zich handelend tot elkaar verhouden.
Namu Amida Butsu.
(7)in Eko 50 (sept. 91): “Spreken met bloemen”
|
|
|
|
|
|
Ekō 52 |
|
© 2006 |
|||||
| home |