Visies

Katrien Haemers

Vorige week, bij het doornemen van besprekingen van nieuw verschenen literatuur, ontmoette ik, kort na elkaar, twee mensen die een gelijkluidende uitspraak deden over ‘de wereld’. Twee uitspraken die - bij nader toezien - diametraal tegenover elkaar bleken te staan.

Amos Oz, een joodse schrijver, die de pionierstijd in de kibboetsiem van de jonge staat Israël meemaakte, kon zijn ontgoocheling niet verkroppen: “Mensen kunnen niet leven zonder afgunst, wreedheid, angst, ambivalentie, eenzaamheid, ambitie en zelfvernietiging.” Dit betekent dan meteen zijn afscheid van het leven in de kibboets.

Pramoedaya Ananta Toer bracht het grootste deel van zijn leven door in de gevangenissen van Indonesië. Door diverse overheden verguisd of opgehemeld, bleef hij onverstoorbaar zeggen wat hij te zeggen had: “Het is een illusie dat er een wereld zou kunnen bestaan waarin mensen nooit het onmogelijke zouden willen, nooit vergeefs op iets hopen, nooit elkaar verkeerd zouden begrijpen.”

Zeggen beide schrijvers niet ongeveer hetzelfde? Maar de toonaard waarin de woorden klinken is wel zeer verschillend.

Beide schrijvers leefden in hun land in moeilijke omstandigheden en allebei hebben ze zich geëngageerd in die samenleving. Ze hadden geen van beiden een comfortabel leven. Beiden hebben ze toch iets bereikt door hun inzet.

En toch is de ondertoon van hun boodschap zo verschillend, zelfs tegengesteld. En die tegenstelling zit hem niet zozeer in de ervaring van de wereld die ze hebben gehad, maar wel in de manier waarop de ervaring werd gekleurd door hun gemoedsgesteldheid. Staat u me toe even over die gemoedsgesteldheid te fantaseren?

Amos Oz streefde een concreet doel na: de opbouw ven zijn land. Zijn werk in de kibboetsiem was een bijdrage daaraan. Hoewel we mogen stellen dat het doel bereikt is, is Amos Oz toch totaal ontgoocheld over het inhoudelijke resultaat.

Pramoedaya Ananta Toer heeft niet een onmiddellijk doel nagestreefd: hij heeft gesproken en gehandeld zoals hij meende te moeten spreken en handelen, omdat hij niet anders kon, zonder zicht op een resultaat. De kans was groot dat hij op een dag in stilte zou ‘verdwijnen’.

Wanneer Amos Oz de juiste ingesteldheid dan niet zou gehad hebben, welke zou die dan wel geweest zijn? Hij verkeerde immers in de karmische situatie dat zijn land moest opgebouwd worden. Moest hij dan niet handelen, toezien en op de berg Tabor in meditatie verzinken?

Het is niet de bedoeling vanuit mijn luie stoel de gemoedsgesteldheid ven Amos Oz te onderzoeken en te decreteren wat hij had moeten doen, maar zijn bittere ontgoochelde woorden laten me niet los.

Wél kan ik vermoeden dat de gemoedsgesteldheid van Ananta Toer anders was: hij geeft althans de indruk gehandeld te hebben “in niet-handelen”. Ook hij heeft zich niet afgezonderd op een berg in meditatie, maar hij heeft zijn handelingen volbracht in een toestand-van-meditatie, met geen ander doel buiten datgene te doen wat hij aan het doen was.

Meditatie niet als een praktijk die zeer weldadig kàn zijn, maar meditatie als gemoedsgesteldheid van waaruit men handelt, zonder enige verblinding van welke aard dan ook.

De wereld van Amos Oz was sterk gekleurd door zijn verlangen naar een nieuw vaderland, daar waar de wereld van Ananta Toer alle kleurschakeringen vertoonde die deze prachtige en barbaarse samsarische wereld ten toon spreidt.

“Want,” zo zegde Zuiken Inagaki, “gewone mensen menen dat de wereld is zoals ze hem zien. Dat valt echter te betwijfelen. Alle verschijnselen zijn leegheid. Neem bijvoorbeeld het geval van water. Voor ons, mensen, is dat “water.” Voor vissen is dat hun woonst en wereld, hongergeesten zien het als vuur, hemelse wezens zien het als een juweel.”

Zo verscheiden was waarschijnlijk de visie van Amos Oz en van Ananta Toer op ‘de’ wereld. Maar dit laatste is niets meer dan een fantasie vanuit een luie stoel.

Ekō 53

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
            home