(vervolg en slot)
Myokai Rutger Franck
De invloed van taal op ons denken
Het denken en waarnemen wordt in aanzienlijke mate beďnvloed door het spreken in een Indo-europese taal die uit duidelijk afgebakende zinsdelen bestaat, zoals grammaticaal subject (onderwerp), gezegden zoals het werkwoord “zijn” (ontologisch denken) en grammaticaal object (lijdend voorwerp). Deze typische eigenheid van onze (westerse) talen is een ernstige handicap die oosterse talen, zoals b.v. het Chinees - dat niet opgebouwd is uit vaste zinsdelen - niet hebben. Het belang en de invloed hiervan op ons westers denken wordt door de studie van de semantiek en de linguďstiek aangetoond. (Ik moet overigens bekennen dat ik het fenomeen ‘spreken’ niet precies functioneel in de skandha’s kan thuis brengen.)
Heel terloops, vergeten we in dit verband niet dat de logica van Aristoteles op een systematisering van de Griekse grammatica opgebouwd is. Zijn ideeën, of het syllogisme en de retoriek, samen met de ideeënleer van zijn leermeester Plato en de filosofie en dialectiek van diens leermeester Socrates, vormden de basis van de neoplatonische filosofie van Plotinos. Deze Griekse denkers zijn overigens de erflaters van onze westerse filosofie, waarop latere kerkleraren zoals Augustinus hun christelijke theologie zullen opbouwen.
Het is, mijns inziens, redelijk om aan te nemen dat, door de afwezigheid van die taalkundige handicap in de oosterse talen, oosterlingen makkelijker toegang hebben tot het diepere inzicht en begrip van Boeddha’s Leer, vooral de Mādhyamika (de ‘Midden-Weg’ van Nāgārjuna, als systematisering van de Mahā Prajńāpāramitā.
Laten we nu terugkeren naar de begrippen kennis en inzicht.
Het lijdt geen twijfel, zegt de Leer, dat onze wankele kennis, geconditioneerd door onwetendheid, een uitermate gebrekkige basis vormt voor verder begrip en inzicht.
Begrip er inzicht worden niet aangeboren, maar kunnen wel geleidelijk verworven worden door verder opbouwen op opgedane ervaring. Dit is de normale gang van zaken in de opvoeding en de verdere intellectuele ontwikkeling van de mens.
Wanneer we dus uitermate gehandicapt worden in begripsvorming wat ‘wereldse’ zaken betreft, dan is dat ook het geval op ‘spiritueel’ vlak. Ook geestelijk inzicht en begrip krijgen we niet mee bij onze geboorte (ook al hebben we de Boeddha-natuur in ons meegekregen) maar kan door kennis(name), geleidelijk onderzoek, het afwegen tegen persoonlijke ervaring en toetsen, tot ontwikkeling gebracht worden wanneer en zodra de omstandigheden, zeg maar onze karmische conditie, daartoe gunstig en ‘rijp’ zijn.
De Volkomen Wijsheid…
Begrip en inzicht zijn nog geen synoniem voor wijsheid.
De Leer van de Boeddha, de 2 500-jaar oude traditie, in stand gehouden, toegelicht en verruimd door de oosterse patriarchen, wijzen en meesters, tonen ons, via de praktijk van het boeddhisme, de weg tot het ware in-zicht en de verwezenlijking van de Volkomen Wijsheid (Prajńā-pāramitā).
Terecht wordt de Leer van de Boeddha de Leer van de Wijsheid genoemd.
… en de Weg die leidt naar de wijsheid
De Tweede Edele Waarheid geeft ons een inzicht in de oorsprong (het waarom) van het lijden. Schematisch wordt deze oorzakelijkheid weergegeven door een causale keten, de pratitya samutpāda. Ingekort kan deze keten als volgt uitgedrukt worden:
onwetendheid -> ik-geloof -> ik-verlangen -> ik-existentie -> lijden.
De Derde Edele Waarheid verklaart ons hoe het stopzetten van het lijden (dus ook van de onwetendheid) verwezenlijkt kan worden. Zij is als het ware het spiegelbeeld van de Tweede Edele Waarheid en beschrijft de toestand van het opheffen van het lijden, dat ligt in de niet-onwetendheid: het nirvana (letterlijk “doven”, bv. van een vuur). Nirvana is de toestand ven de Absolute Kennis, de Volkomen Wijsheid, de leegte (sūnyatā) (6), het Grote Mededogen, het Boeddhaschap.
Nirvana is ook de afwezigheid van alle dichotomisch, dualistisch, discriminerend subject/object-denken.
Voorwaar, een grote sprong van loutere kennis naar wijsheid, en zeker naar de Volkomen Wijsheid.
Hoeft het verwondering te verwekken dat generaties westerse denkers, filosofen, geleerden en ‘oriëntalisten’ zich eeuwenlang (vaak vruchteloos) gebogen hebben over de diepe inhoud en alle mogelijke implicaties van het “tat tvam asi” uit de Upanisads, of het “ken jezelf” van de Grieken, of het “(G)nosce te ipsum” van de scholastiek of het “Nirvana is samsara” van Nāgārjuna (7)? Weinigen kunnen zich, uit eigen kracht bevrijden uit het knellend keurslijf van het dichotomisch subject/object-denken.
Een van de wijzen uit het Oosten, de monnik Shinran Shonin (8), in tegenstelling met de monniken uit Gorbachev’s verhaal, talmt niet met het verstrekken van een antwoord. Hij spoort ons aan alle eigen kracht los te laten. Het vlot waarmee we de brede stroom van het moeilijk kennis-vergaren hebben overgestoken, hoeven we niet verder op onze schouders rond te torsen.
Door gewoon ons eigen dwaas, onwetend zelf te zijn, alles, vooral onze eigen kracht, los te laten en te vertrouwen op Amida Boeddha’s Andere Kracht ontwikkelen we de Boeddha’s Natuur in ons, de attitude van de hoogste bodhi, de kiemen van het Mededogen en de Wijsheid.
“Clear up your mind and wash away all you have heard!
“What you have heard and learnt is of no avail.
“Your knowledge and memory cannot be relied on;
“What is truly reliable is the unconceivable Power
“Of Amida’s Vow and his call: Namu Amida Butsu.”
(Uit Zuiken’s Sayings)
Gorbachev onthult in zijn verhaal niet of de Russische koning tot inzicht gekomen is maar, zo leert ons de Leer, zijn ervaring was zeer zeker niet nutteloos. Shakyamuni Boeddha zei dat het zeldzaam is en moeilijk als mens geboren te worden en al even zeldzaam dat men met de Leer in contact komt.
Laten we dankbaar zijn voor die andere monnik, Shinran Shonin, en voor alle andere meesters die ons, uit het Oosten, de Wijsheid van de Mededogende Leer brachten.
Namu Amida Butsu.
(6) De vertaling ‘leegheid’ is eigenlijk te verkiezen boven ‘leegte’, dat teveel naar een afwezigheid verwijst i.p.v. naar een openheid (Shitoku, nvdr).
(7) Zo staat het niet in MMK: “na samsārasya nirvānāt kińcid asti visesanam/ na nirvānasya samsārāt kińcid asti visesanam” // “nirvana is uiteindelijk niet te onderscheiden van samsara, en samsara is uiteindelijk niet te onderscheiden van nirvana”. Men dient het verschil tussen “is [gelijk aan]” en “geen onderscheid” (na… asti visesanam) niet uit het oog te verliezen! (Shitoku, nvdr).
(8) Shinran zelf zou dit “monnik” niet gezegd hebben! Zowel in KGSS (VI, 117) als in Tannisho (Epiloog), onderlijnt hij dat hij “sō ni arazu zoku ni arazu” is: noch monnik noch leek. (Shitoku, nvdr).
|
|
|
|
|
|
Ekō 53 |
|
|
|
|
|
|
Dharma-Leerrede uit het Kremlin |
|
© 2007 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |