Beperkingen

Daniëlle Girardin

Alle bestaansvormen - om te kunnen bestaan - zijn noodzakelijk aan beperkingen onderhevig. Rupa (9), tenminste voor de fenomenen zoals wij als mensen die waarnemen en ermee omgaan, is zowel de mogelijkheidsvoorwaarde voor hun bestaan als hun uiteindelijke beperking. Bestaan als een ik - of dit nu gaat om een rots, een wolf, of een mens, is niet mogelijk zonder beperkt te zijn als rots, als wolf, als mens.

Voor ons mensen, gebonden als we zijn aan ons ik-denken, verschijnen de ultieme limieten van ons bestaan als geboorte en dood, en het is tussen deze polen dat het ik-universum zich afspeelt. Voorbij de limieten van geboorte en dood neemt het menselijke denken meestal een of andere variant aan van annihilatie-voorstellingen of van een wishful eeuwigheidsdenken. In het eerste geval beleven we de dood als de dreigende afgrond van het Niets aan de rand van de ik-wereld, als de sprong in het niet-ik dat was vóór mijn geboorte en dat blijft voortbestaan na mijn dood. In het andere geval stellen we ons ik voor als een vaste kern, onder de vorm van een ziel, een atman, een vooroudergeest of wat dan ook, in elk geval iets dat overblijft en dat het nog wel oneindig zal rekken, in een of andere spirituele bestaansdimensie of geïncarneerd in volgende bestaansvormen. De dood wordt zo ontdaan van haar schokkende karakter, het lijkt allemaal nog wel mee te vallen; ons ik kan zich immers rustig verder zetten, zoals een eeuwigdurende soap-opera.

Maar uiteindelijk zijn al onze voorstellingen op dit vlak getekend door onze ik-situatie nu, en het is vanuit deze situatie dat we moeten vertrekken; het is met onze ik-wereld nu dat we iets moeten doen. Ook onze ik-wereld is aan beperkingen onderhevig, het ik is eindig, niet alleen in tijd maar ook in mogelijkheden. De persoon die we doorheen het samenspel van oorzaken en omstandigheden geworden zijn, betekent de uitsluiting van al de andere personen waarin we mogelijk hadden kunnen evolueren. We kunnen maar een beperkt geheel van kennis opdoen en een beperkt geheel van situaties en ervaringen doorleven. Het is dus met beperkingen dat we zullen moeten leven. De vraag is hoe we ermee zullen leven, wat het betekent met beperkingen te leven.

Gemakshalve kunnen we natuurlijk zeggen “we zijn bombu”, we zijn beperkte wezens, we zijn hopeloos verwikkeld in onze ik-passies, in onze onuitroeibare deviaties. Laten we aanvaarden dat we gewone mensen zijn, mensen van vlees en bloed, spiritueel totaal onvermogend, en dat het daarom geen belang heeft of we nu flamenco leren dansen, naar VTM kijken of in psychoanalyse gaan, zolang we maar ons vertrouwen stellen in Amida, in het oneindige mededogen dat het Boeddhaschap zelf is.

In zekere zin is dit waar, maar tegelijk ervaar ik deze houding als een vertekening van Shinrans bedoeling toen hij zichzelf bombu noemde. Shinran heeft zich bombu genoemd nadat hij twintig jaar lang radicale meditatieve praktijken heeft beoefend. Shinran heeft de woede en wraak van de maatschappelijke autoriteiten op zich gehaald door een compleet onconventionele vorm van de Leer te verkondigen. Hij is uit het klooster, uit het monnikenschap en in het huwelijk getreden, in een cultuurhistorische context waarbinnen deze opeenvolging allerminst tot de gangbare zaken behoorde. En later, op hoge leeftijd en in armoede, is hij beginnen schrijven en schrijven; zijn bekommernis om zijn inzichten en ervaring door te geven hebben tot het laatste toe al zijn aandacht en energie opgeëist.

Shinrans leven is extreem geweest. Shinran is tot de limieten gegaan. En in die limieten moet het besef en de ervaring van het eigen spirituele onvermogen gegroeid zijn, en daarmee tegelijk de aanvaarding van Ander-Kracht.

We moeten niet te vlug zeggen: “Ik ben een bombu.” Het mag geen excuus worden om ons te nestelen in gemakzucht en middelmatigheid. Het heeft geen zin te zeggen “ik kan niet zwemmen” als je nog nooit in het water gesprongen bent. Maar spring! En je staat verbaasd van je eigen inzet om stand te houden wanneer je voelt hoe het water je meesleurt. En misschien zwem je. In dat geval heb je je zelfkracht ontdekt; misschien heb je de limieten ervan verlegd. Maar misschien zwem je niet en leiden al je gekke bewegingen om boven te blijven tot niets, en aan het einde van de strijd voel je hoe je uitgeput in het water verzinkt, hoe je tot het water en de stroming behoort, en op dàt moment kan je zeggen “ik ben bombu”. Je bent tot het uiterste van je kunnen gegaan, tot een punt waarop je niets te verdedigen en niets te verliezen hebt, en dàn geschiedt de zelfgave aan de Ander-Kracht.

Met deze metafoor bedoel ik niet noodzakelijk dat we ons volledig in meditatieve praktijken moeten storten. Dergelijke praktijken zijn slechts één mogelijkheid om de grenzen van zelfkracht en Ander-Kracht te verkennen. Want het leven zelf stelt ons voor tal van andere mogelijkheden en we kunnen niet op alle vlakken tegelijk met onze grenzen bezig zijn. Dat is trouwens niet nodig. We hoeven niet permanent op de rand te wandelen. Maar het is wel waardevol dat we ons - op een of andere wijze - vertrouwd maken met de ervaring van wat het betekent om op de rand te wandelen. Want het is op die rand dat het besef en de ervaring van het eigen spirituele onvermogen groeit. Zonder die ervaring betekent het niets om te zeggen “ik ben bombu”; zonder die ervaring blijft er iets in ons zich tegen deze idee verzetten. Zonder die ervaring is ons spreken over vertrouwen en Ander-Kracht een woud van woorden, een woud waarvan we de schoonheid misschien wel kunnen aanvoelen, maar waarin we niet bereid zijn onszelf te verliezen.

Namu Amida Butsu

(9) De eerste skandha (bestaansgroep): vorm, lichamelijkheid.

Ekō 53

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
            home