Hubert Eerdekens
In 1633 dwong het Heilig Officie Galileo Galilei (1564-1642) de leer van Copernicus af te zweren. Galilei was een Italiaans wis-, natuur- en sterrenkundige die sinds 1610 het wereldbeeld van Copernicus verdedigde. Deze laatste, een Pools geleerde (1473-1543), stelde de zogenaamde heliocentrische theorie op, waarin niet de Aarde het middelpunt van het heelal is (zoals men tot dan toe aannam) maar waarin de Aarde evenals de andere planeten om de zon wentelt.
Ofschoon de theorie klopte, werd ze op grond van haar onverenigbaarheid met de leer van de Rooms-katholieke Kerk verworpen.
Bovendien leek de theorie ook in tegenstrijd met wat men letterlijk kon zien. Elke dag opnieuw verscheen de zon in het Oosten en bewoog zich in een wijde boog over de aarde na tenslotte te verdwijnen achter de westelijke horizon.
En toch. We weten nu wel beter: de Aarde, evenals de andere planeten, draait wel degelijk rond de zon. Wat dus ogenschijnlijk voor onmogelijk werd gehouden bleek toch juist te zijn.
Iets analoogs kan ons overkomen wanneer we met de doctrine van anattā in contact komen. Annatā betekent niet-zelf. De idee van een zelf is volgens de Leer van de Boeddha een illusie. De Boeddhistische notie van niet-zelf is vreemd, om niet te zeggen schrikwekkend. Dat is zo voor de hedendaagse mens, en dat was ook zo voor de mensen die leefden ten tijde van de Boeddha. Een monnik vroeg eens aan de Boeddha: “Is er een situatie waarin je gekweld wordt omdat je niet iets duurzaams kan vinden in jezelf?” De Boeddha antwoordde: “Ja, monnik, dat bestaat.” Elders zegt de Boeddha: “0 monniken, dit idee dat ik niet kan zijn, dat ik niet kan hebben, is afschrikwekkend voor de niet-onderwezen, wereldlijke mens.”
Geen wonder dat de Boeddha dat moeilijk te zien, moeilijk te begrijpen noemde. Zijn Leer ging tegen de stroom in, tegen de zelfzuchtige begeerte van de mens.
De Leer van Anattā of geen-zelf is niet zomaar uit de lucht gegrepen. Zij is het gevolg van de analyse van de vijf skandha’s en de leer over Pratitya samutpada.
Wanneer de vijf skandha’s onderzocht worden, vinden we niets dat als zelf kan beschouwd worden. Het individu is niets meer dan een samenvoeging van ervaringsniveaus. Maar dit lijkt niet zo. Vandaar dat de Boeddha over avidyā spreekt: het niet-weten.
Waarom deze Leer van Anattā? Volgens de Leer van de Boeddha is het idee van een zelf een denkbeeldige en verkeerde overtuiging die op geen enkele manier met de werkelijkheid overeenstemt. Het veroorzaakt schadelijke gedachten over mij en mijn, egoïsme, haat, begeerte enz. Het is de bron van alle ellende in de wereld, van persoonlijke conflicten tot oorlogen tussen verschillende landen. De waarde van de anattā-doctrine ligt in het opheffen ven het niet- of mis-weten. Zij is bedoeld om de mens te helpen verlichting te realiseren.
De Leer van de Boeddha over geen-zelf moet niet als negatief gezien worden. Net zoals Nirvana is het de werkelijkheid, en werkelijkheid kan niet negatief zijn. Het is het geloof in een niet-bestaand denkbeeldig zelf dat negatief is. De leer van anattā verdrijft de duisternis van verkeerde inzichten en doet het licht van wijsheid ontstaan.
|
|
|
|
|
|
Ekō 53 |
|
© 2007 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |