Vertrouwen In De Naam

Bruno Van Parijs

Stelt u zich eens voor: je komt ergens op een feestje of zo, en iemand vraagt je plotseling: Wie bent U?

Dan zit er heel veel kans in dat je zal zeggen: “Mijn naam is zus en zo”. Je gaat niet zeggen: “Oh, ik ben een veranderende configuratie van groeperingen die in hun ware zelfnatuur sūnyatā zijn”, of: “Eigenlijk ben ik maar een voorstelling die U zich maakt in uw geest”. Neen, je antwoordt de vrager met je naam. En waarom? Omdat je in je naam alles tracht samen te vatten wat je bent. In die naam ligt eigenlijk heel je geschiedenis vervat, alles wat je ooit meemaakte: de vreugdes, de pijnen, het verdriet, de verwondering, je verwachtingen, je glories, de flaters die je begaan hebt. Kortom, datgene dat je gemaakt heeft tot die persoon die je nu bent. Wat je eigenlijk tracht weer te geven is je essentie, datgene wat enkel op jou slaat en op niemand anders.

Eventjes terug naar onze vraagsteller. Je hebt hem je naam verteld en als reactie krijg je een soort “Ah ja”, erop duidend dat hij nog altijd geen idee heeft wie je eigenlijk bent.

Er is een tijd geweest dat dit “Ah ja” anders klonk, een tijd waar namen nog iets betekenden, waar namen nog iets konden aantonen van de persoon. Namen sloegen terug op je beroep, b.v. Jef de Molenaar of Joop de Visser, of op je familie: Jansen (Janszoon) of Petersen, of op de plaats waar je vandaan kwam, b.v. Bruno Van Parijs.

Bij de Indianen kende men namen met een magisch karakter, zoals Witte Buffel, waarbij de drager van de naam zich de magische krachten toeeigende die met dit dier werden geassocieerd, of men kreeg pas een volwaardige naam nadat men eerst een aantal proeven had afgelegd, proeven waarbij het karakter van de persoon naarboven kwam. De naam die werd gegeven was dan een weergave van de beste of, in sommige gevallen, de slechtste karaktereigenschappan.

Wanneer je dan iemands naam vroeg, kon je al een en ander te weten komen over de persoon in kwestie. Als je een zak graan had en je wou meel, dan ging je naar Jef de Molenaar en niet naar Joop de Visser, want je wist dat Jef je meel zou bezorgen terwijl Joop je graan als visvoer zou gebruiken. Je kon er als het ware op vertrouwen.

Laten we terug naar ons feestje gaan. Stel je voor, de persoon die je je naam gevraagd heeft wil je beter leren kennen. Hoe zal hij dan tewerk gaan? Als hij je werkelijk wil leren kennen dan zal hij overal waar mogelijk informatie over je trachten te vinden om zich zo een beeld van je te kunnen vormen. Meer nog, hij zal zoveel mogelijk in je nabijheid vertoeven om zijn beeld aan de werkelijkheid te toetsen. Wanneer hij je dan lang genoeg kent, zal hij weten op welke manier hij op je kan vertrouwen.

Op dergelijke wijze is het eigenlijk ook gesteld met de ‘Naam’ van de Boeddha: Namu Amida Butsu.

Wanneer wij die Naam voor het eerst horen, dan reageren we ook met “Ah ja”, eigenlijk niets wetend. Willen we echter de essentie van die Naam te weten komen, willen we te weten komen waarop we kunnen vertrouwen, dan moeten we trachten, in de mate van onze mogelijkheden, informatie te verzamelen omtrent de Naam. Maar belangrijker nog, en misschien het enige dat wezenlijk van belang is: we moeten omgang hebben met de Naam, er een relatie mee aangaan, we moeten hem toetsen aan de werkelijkheid!

Om dit stukje te eindigen zou ik nog een paar woorden van Shinran willen citeren: “Betreffende de Nembutsu, niet werkzaamheid is werkzaamheid: dat is iets onbeschrijfelijks, onverklaarbaars, onvoorstelbaars.” (Tannisho, hfdst. X)

Wie zou, na het horen van deze woorden, niet in de verleiding komen om Namu Amida Butsu te leren kennen?

Gassho,

Namu Amida Butsu

Ekō 55

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
            home