“Maar er is toch mededogen in de wereld? Dat is er toch?”
Ze stelde het zonder enige reserve tegenover mijn vragen en twijfels
tegenover de barbaarsheid van de wereld die ik haar voor de voeten wierp, in dat nachtelijk uur.
Is het slechts een paar dagen geleden?
Nochtans,
haar hoop had vleugels gekregen
overheen de Thaise bergen tot hier in het hart
En het was afgesproken dat ik op de hond zou passen.
Maar er is toch mededogen?
De late uren in ons bruin stamcafé puurden de vragen uit tot op de bodem.
Haar vrolijkheid klaterde op tegen mijn reserves.
Nagarjuna in één lichtflits in de auto, in enkele woorden
Er is toch mededogen?
Soms verwarde ik haar lichtheid met mijn twijfels
doctor philosophiae lacht zich onder tafel met de grollen van Peter
nog maar eens luistert ze, nog een lezing met open oog, een medeplichtig lachje om de mond
de maaimachine en de afgerukte lente bloemen in één adem
want er is toch mededogen.
Haar koekjes voor de koffie waren de beste
het liefst zong ze Sambutsuge
maar ook Amidakyo, in een onstuitbare lachbui
Hoor ze lachen over mijn schouder, wanneer ze dit alles leest
ja, en toch het mededogen, dat is er toch
Als dood-gaan heel-licht-worden is
moet de stap heel gemakkelijk zijn geweest
- Te plots, voor ons -
Maar reizigers zeggen nooit vaarwel
Laten soms oneindig vertrouwen achter
Lichtheid is héél licht geworden
Lichtheid is Licht geworden
Namu Amida Butsu
Katrien Haemers
(zie boek p. 32)
|
|
|
|
|
|
Ekō 56 |
|
© 2007 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |