Katrien Haemers
Emily Dickinson ligt - zoniet op het hoogste - toch op een bijzonder plankje van mijn virtueel boekenrek. Het weinige van haar geschriften dat ons is overgebleven, getuigt van een ongewone spirituele rijkdom.
Toen ik volgend vers van haar onder ogen kreeg, was ik diep geschokt:
“Dit is het Loden Uur -
Herinnerd, als men het overleeft,
Zoals mensen die Bevriezen zich de Sneeuw herinneren
Eerst - Verkilling - dan Gevoelloosheid - dan het Loslaten.”
Het krachtige beeld roept onweerstaanbaar een levenservaring op, die men liever niet in de herinnering zou meedragen.
Maar na de emotie, die het beeld me toebracht, in de meedogenloze opstapeling van woorden, stootte in mij een verzet: dit is niet loslaten, dit is ten onder gaan.
Het is zeker niet mijn bedoeling om hier commentaar te geven op de persoon van Emily Dickinson, en de manier waarop zij haar loslaten van het leven heeft verwezenlijkt, - iets wat zij op zeer jeugdige leeftijd en blijkbaar met zeer grote menselijke waardigheid heeft volbracht.
Mijn reactie betreft enkel het meedogenloze beeld van loslaten dat geschetst wordt, waartegenover ik een ander beeld, vol mededogen zou willen plaatsen.
En het ogenblik is geschikt: de dagen van februari herinneren ons eraan, dat we vorig jaar afscheid moesten nemen van Daniëlle. En we kunnen de vraag niet ontlopen: zijn we na al die dagen in staat haar los te laten? Of het verdriet om haar los te laten?
De gevoelloze hand, die bevriest, laat niet los: ze knapt af. Maar wij zijn niet bevroren: we hebben ogen en oren en een hart dat warm en levend klopt, wij willen zien en luisteren, lachen en redetwisten. De herinnering is niet verkild, de verwachting is heimwee geworden.
Loslaten betekent pijn cm het verlies te laten overgaan in dankbaarheid om wat men heeft ontvangen, verscheurdheid te helen tot mededogen.
Maar klopt onder onze dankbaarheid niet nog steeds het verzet van niet-aanvaarden, het snerpen van niet-begrijpen?
“Wie onder ons kan zeggen dat hij werkelijk - in alle situaties en op alle momenten - het leven ten volle aanvaardt? Wie is zeker dat hij in deze aanvaarding kan volharden, ongeacht wat er gebeurt? Ik denk dat we niet te vlug moeten stellen dat we tot aanvaarding in staat zijn, want een dergelijke permanente waarachtige ervaring is volgens mij de realisatie van het boeddhaschap zelf.”
Maar ze vervolgt met een waarschuwing:
“Evenzeer is de verheerlijking van pijn en verdriet een zinsbegoocheling die enkel een vasthouden aan ons ik bevestigt, een belemmering voor de opheffing van lijden..
Het ‘ik’ dat zich het lijden toeeigent, belemmert het loslaten ervan, waardoor het leven in alle volheid zou kunnen oprijzen. Maar ons ‘ik’ heeft angst iets te verliezen bij de opheffing van het lijden.
Zeer kostbaar is daartoe het geschenk van de Leer:
“Opdat wezens die door angst geteisterd worden rust zouden vinden,
om wezens die door begeerte verblind zijn wijsheid bij te brengen,
om wezens die door haat geïsoleerd zijn welwillendheid te leren kennen,
om wezens die door wanhoop verstoord zijn vertrouwen te schenken.”
Héél sterk was voor haar de natuurlijke aanwezigheid van Ander-Kracht: “Er is toch mededogen in de wereld?”
Na wat er gebeurd was, leek mededogen in deze wereld met één brutale klap weggeslagen: we stonden één tijdloos moment oog in oog met absurde geweiddadigheid.
Toch ging zij tot het uiterste in haar visie op werkelijkheid van de Ander-Kracht:
“ook in conflictsituaties zijn we met elkaar verbonden. Want, op welke wijze ook onze werelden contact maken, het is steeds in Ander-Kracht dat we elkaar ontmoeten… het is in Ander-Kracht dat de maaier en (de afgerukte bloemen)… zich handelend tot elkaar verhouden.”
De verwijzing naar het ervaren van het leven zoals het zich voordoet en het handelen in dat leven klinkt als een steeds hernomen refrein in haar teksten, zowel die welke ze hier uitsprak in de tempel, als die tussen pot en pint in het stamcafé, als die, met een zachte terechtwijzing, achter de bedampte ruiten van de auto:
“Mistevredenheid kan overwonnen worden door zich opnieuw in de stroom van het leven te werpen, desnoods met geweld, en met het risico te verdrinken… Leven betekent zich over te durven geven aan de turbulenties van samsara, er steeds dieper in door te dringen.”
Leven betekent zich vertrouwd te maken met wat het betekent om op de rand te wandelen.
“Zonder die ervaring is ons spreken over vertrouwen en Ander-Kracht een woud van woorden, een woud waarvan we misschien wel de schoonheid kunnen aanvoelen, maar waarin we niet bereid zijn onszelf te verliezen.”
Voor ons die achterblijven, op de rand van ontgoocheling en twijfel, schrijft ze:
“Wij zijn nooit immuun voor lijden. Altijd ergens vindt er een afscheid plaats, en de pijn ervan is verbazingwekkend nabij. Het is voor dat wezen dat we niet anders dan mettā kunnen voelen…”
Dit was een Loden Uur.
We hebben het ons herinnerd, maar we willen in ons gemoed ook mededogen en vertrouwen en mettā herinneren.
En niet loslaten vanuit verkilling en gevoelloosheid maar vanuit mededogen, “want dat is er toch, in deze wereld, mededogen.”
Zouden wij dan ook - eindelijk - dankbaarheid kunnen voelen?
|
|
|
|
|
|
Ekō 60 |
|
© 2007 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |