Bruno Van Parijs
Ergens in de Pali-kanon (of was het in de film van Bertolucci?) wordt een verhaal verteld dat beschrijft hoe de historische Buddha inzicht verwierf in de Middenweg nadat hij een gesprek overhoorde tussen een muziekleraar en diens leerling. Het gesprek liep ongeveer als volgt:
- “Wat gebeurt er wanneer je de snaren van je instrument te hard opspant?”
- “Dan springen ze.”
- “Wat gebeurt er wanneer je ze niet hard genoeg spant?”
- “Dan geven ze niet de juiste klank weer!”
Dit verhaal schoot me te binnen op het moment dat ik bezig was met het stemmen van een nieuwe G-snaar op mijn gitaar. De nogal pijnlijke [ietwat misselijk-makende] herinnering aan het geluid dat zo een snaar voortbrengt wanneer ze tot het besluit komt ex-snaar te worden [zoiets als twooing, maar dan in de 3de macht], maakt dat deze op zich eenvoudige klus voor mij een zenuwslopende karwei wordt.
Maar ja, eind goed al goed, mijn gitaar is gestemd, mijn maag terug tot rust gekomen, en de stilte van mijn huis nodigt uit tot het maken van muziek [in mijn geval het relatief samenhangend voortbrengen van wat klanken met een bluesy ondertoon].
De metaalachtige klank van de nieuwe snaren was héérlijk om te horen en nodigde me uit tot een min of meer contemplatieve stemming.
Terwijl mijn vingers moeiteloos de snaren roerden, zag ik hoe de gitaar en het gitaarspelen prachtige metaforen waren voor Boeddha’s Leer.
De gitaar als metafoor voor het niet-zelf aspect van de Leer. Wat noemen we een gitaar? Is het de klankkast of de nek, de snaren misschien, of het stem-mechanisme? Noch-Noch zou Nagarjuna zeggen. Noch de klankkast, noch de nek, maar het gezamenlijk ontstaan in onderlinge afhankelijkheid. Dit geldt echter niet enkel voor de gitaar als geheel, als totaliteit, maar ook voor elk van de afzonderlijke delen; m.a.w. gitaar is Leegheid en Leegheid is gitaar, etc. De gitaar staat in relatie tot de snaren, zoals de snaren in relatie staan tot de gitaar - het geheel doordringt de afzonderlijke delen, de afzonderlijke delen doordringen het geheel. Een andere metafoor is het gitaarspelen zelf, het beleven van de gitaar. De relatie tussen de muzikant en het instrument in verhouding tot de 19de, 20ste en 18de Geloften.
Wie gitaar wenst te spelen, dienst eerst vertrouwd te geraken met het instrument. Wat dan volgt zijn bloed, zweet en tranen. Voor men goed en wel één enkel akkoord kan aanslaan, dient men af te rekenen met pijnlijke vingers, urenlang oefenen, vervelende toonladders en klagende omwonenden [19de Gelofte].
Dan komt het moment dat we ons eerste liedje spelen. Akkoorden en toonladders hebben we onder de knie, het ritme valt echter nog niet erg mee en we denken nog te veel aan de opeenvolging van akkoorden [en aan de miljoenen die we zullen verdienen wanneer we onze eerste super-hit op de markt brengen [20ste Gelofte]].
En dan… Baby please don’t go… geen akkoorden meer, geen goede, geen slechte klanken meer, geen gitaar, niemand die speelt, enkel muziek.
Namu Amida Butsu.
|
|
|
|
|
|
Ekō 60 |
|
© 2007 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |