Editoriaal: Geen schouderklopje…

Het schenken van de Leer is de hoogste gave. Die zin ontmoeten we zo vaak in het geheel van de boeddhistische literatuur… zonder er eigenlijk veel bij stil te staan.

Maar de Leer is ‘moeilijk’, in feiten tegengesteld aan de dingen waarvan we houden, aan de vurigste menselijke verwachtingen: het verwerven van (echte of vermeende) rijkdom, van aanzien en macht, of van een alles omverstotende zelfgenoegzaamheid. En voeg daarbij onze ziekelijke bekommernissen om gezondheid. Kortom al wat ons ‘ego’ in de bloemetjes kan zetten. En wat ons ‘ego’ het best in de bloemetjes zet, dat is… ons ‘ego’ zelf.

Daar heb je het al: want wat is dan toch ons ‘ego’? Zeker geen ‘iets’, zegt de Boeddha; maar een denkstructuur waarbij we onszelf opstellen tegen datgene wat we ‘niet-ons-zelf’ noemen, het ‘andere’. Of noem het maar gewoonweg een illusie.

Ons Ware Zelf is immers Leegheid, is Boeddha-natuur, dat leren ons de Mahayana-meesters.

Dat houdt meteen in dat de Leer van de Boeddha in waarheid niet begaan is met dat ‘ego-van-mij’. Verre van die illusie op te krikken, zal de boeddhist zijn ego-denken moeten inbinden, moeten afbouwen. Deze illusie deconstrueren… om die term van sommige hedendaagse filosofen te gebruiken.

En als het slecht gaat met dat ‘ego’, d.i. als dat ‘ego’ geconfronteerd wordt met de realiteiten van lijden, van onvrede, van onbehagen, dan vinden we bij de Boeddha geen troostende woorden, geen liedjes van “Morgen gaat het beter”, “Na regen komt zonneschijn” of het deprimerende “Zó erg is het ook weer niet.”

Geen schouderklopje, geen deelnemingsbeleefdheid, geen Toon Hermans-citaatje, geen politieke gelofte van een aards paradijs.

Door een merkwaardige (maar is geheel ons bestaan niet merkwaardig?) samenvloeiing van omstandigheden - noem het karma of pratitya samutpada - moest ik de laatste tijd almaar steeds terugdenken aan dat verhaal van de arme Gautamī. Hier komt het.

De jonge vrouw Gautamī was zopas moeder geworden, maar het pasgeboren kindje was spoedig gestorven. Met het lijkje in haar armen raasde Gautamī wanhopig door het dorp op zoek naar de goede wijze man die het kind weer tot leven zou brengen. Ten slotte kwam ze bij de Boeddha terecht. Tegenover de wanhoop van de jonge vrouw, kon deze haar niet zeggen dat de dood nu eenmaal onvermijdelijk, onoverkoombaar en onomkeerbaar is. Zo een wijsneuzige dooddoenerij lag nu eenmaal niet in Boeddha’s gewoonten. Hij gaf echter Gautamī de raad op zoek te gaan naar het énige medicijn dat de dood ‘geneest’: een sesamzaadje uit een huis waarin nog nooit iemand gestorven was. En de arme Gautamī trok daarop van huis tot huis, van hut tot hut, maar overal bleek er ooit een dode geweest te zijn. Na dagen rondzwerven, steeds met het nu rottende lijkje op de arm, keerde ze naar de Boeddha terug - waarschijnlijk wel wat verbitterd - met de droeve mare dat nergens zo een sesamzaadje te vinden was. En nog terwijl ze dat aan het vertellen was, begreep Gautamī plots de waarheden van het Lijden, van de Oorsprong van het Lijden en van de Opheffing van het Lijden.

Opvallend in dit verhaal is dat de Boeddha geen enkel woord van troost of medelijden of aanmoediging of vergoelijking gesproken heeft. Hij zond Gautamī op zoek naar de niet-dood. En zie, inderdaad, in haar queeste heeft zij uit zichzelf de niet-dood ontdekt en in de Verheven Leer haar toevlucht gevonden.

Het Boeddhisme is noch een tranquillizer noch een psychotherapie. Het Boeddhisme leert ons de dingen te zien zoals ze zijn, niet zoals wij de dingen zien (of erger nog: willen zien). Het geheel van onze ervaringswereld ontstaat onophoudelijk uit het ingewikkelde samenspel van de karmische vormingen. Er is hier geen ‘feel-fine’-formule, geen “God-heeft-je-zo-lief”-pastorale troost, geen ‘wees-jezelf’-jogging. Maar een harde oproep tot inzicht, tot naakt beseffen. Eerst dan kan een gemoed van vrede oprijzen.

Dat is beslist niet gemakkelijk. Zeker niet in wat Nagarjuna de ‘gemakkelijke weg’ noemde. De Boeddha had zich ervan kunnen afmaken met aan Gautamī te zeggen dat haar kindje nu een engeltje in de hemel geworden was, - of dat het weldra zou terugkomen in de gedaante van een schitterende prins, of dat haar lijden weldra zou beloond worden door een of andere Brahma. Maar nee: hij stuurt de smartende vrouw weg om het meest onmogelijke te zoeken.

Want nee: de Leer is geen zoethoudertje, geen schouderklopje.

Overheen het besef van de betrekkelijkheden - d.i. achter de wolken van onze onwetendheid, van onze begeerten, aversies en verdwazingen - daar schijnt het Licht van het Grote Mededogen. De home-made wolken zijn zeker niet gemakkelijk te verdrijven. Niets is zo moeilijk, zegt Shinran, als shinjin, het Gemoed van Vertrouwen. Tja, dŕt is het moeilijkste. Doordat dat ‘ego-van-mij’ zo vreselijk in de weg staat. Of nee: doordat ‘ik’ denk dat er een ‘ego-van-mij’ in de weg staat…

Namu Amida Butsu.

Shitoku

Ekō 62

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
            home