B. Van Parijs
Laatst moest ik door omstandigheden terugdenken aan het oude verhaal van de man die terechtkwam in het Rijk van Yama, Heer van de Onderwereld. Daar deze man zijn situatie zo erg beklaagde, vroeg Yama hem of hij dan tijdens zijn leven geen hemelse boodschappers had ontmoet die hem voor deze toestand hadden willen verwittigen. De man, die waarschijnlijk een beetje uit de lucht kwam vallen, kreeg dan van Yama de vraag of hij nooit een kreupele man had gezien; of een eenzame zieke; of een lijk. Natuurlijk had de man ze tijdens zijn leven meermaals tegengekomen, maar ja, wie ziet er nu in ouderdom, ziekte en dood hemelse boodschappers?
Het is een verhaal dat zo oud is als de mensheid, en hoogstwaarschijnlijk een verhaal dat even oud zal worden als de mensheid; het is het verhaal van U en ik, van ons aller existentie. Toch behandelen we dit verhaal zoals we andere verhalen behandelen. We glimlachen eens (wie gelooft er nu nog in een onderwereld?), denken er eens een minuutje over na, en voor de rest… zijn er belangrijker dingen. Dus vergeten we het maar. Zo een attitude van glimlachen en vergeten is echter m.i. niets anders dan een verdedigingsmechanisme onzentwege (vergeef me dit lelijke woord); in werkelijkheid willen we eigenlijk niets met dit alles te maken hebben. Akkoord, we worden geconfronteerd met ziekte, ouderdom en dood, maar is het niet zo dat het meestal gaat om de ziekte, ouderdom en dood van de “andere” (laatst nog las ik dat dood “per definitie” altijd de andere betreft). We weigeren, koppig als we zijn, in te zien dat Yama’s boodschappers er zijn voor elk van ons persoonlijk. Ze waarschuwen ons voor het onvermijdelijke, maar toch - en hier toont zich de menselijke vindingrijkheid op haar best - trachten we nog op allerlei manieren het onvermijdelijke te slim af te zijn. Wanneer we ziek zijn, geloven we heilig in de medische wetenschap; wanneer we oud worden stichten we een partij die waardig onze belangen verdedigt en ons onze ouderdom doet vergeten, - en doodgaan… moi jamais…
Wanneer we de zaak nuchter bekijken, moeten we toegeven dat onze existentiële situatie alles behalve rooskleurig is. Waar ja, waarom dan die “hemelse” boodschappers als ons leven niets anders is dan geboren worden, ouder worden en sterven; wat is dan het nut van dergelijke boodschappers, wat hebben ze ons te vertellen, waarom zouden we ons zorgen maken om datgene wat onvermijdelijk is? We zijn als de man in het verhaal: we hebben de boodschappers ontmoet, maar we hebben niet geluisterd naar hun boodschap. Waarom? Hun gelaat kwam ons zo afzichtelijk over dat we ons in angst en beven afkeerden. Het is enkel wanneer we beseffen dat de oorzaak van hun afzichtelijkheid in onze manier van kijken schuilt en niet daar buiten, (dit kan enkel door onze ik-bril af te zetten) dat we kans maken hun werkelijke boodschap te aanhoren. Wat we dan horen is geen onheilsprofetie, maar een boodschap van mededogen. Wanneer we begrijpen dat onze situatie niet beperkt is tot het aantal decennia die we “ons” leven noemen, maar dat, gedreven door de werkzaamheid van karma, we sinds het aanvangloze verleden in deze saha-wereld, deze kringloop van geboorte, ouderdom en dood ronddolen, pas dan kan in ons het werkelijke verlangen oprijzen naar Geboorte in een Rein Land, een Land van Vreugde, een Land vrij van geboorte, ouderdom en dood, zoals we lezen in het Hart-sutra: “… daar is geen ouderdom en dood, geen vernietiging van ouderdom en dood…” Het is door de hemelse boodschappers dat we de ernst van onze situatie inzien; het zijn de boodschappers die ons aansporen het Pad te bewandelen dat leidt naar de opheffing van het lijden. En dit, beste vrienden, maakt hen van boodschappers uit de onderwereld tot boodschappers van het Grote Mededogen.
Namu Amida Butsu
|
|
|
|
|
|
Ekō 62 |
|
© 2007 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |