Vertrouwen

Lut Van Schoors

Eén van de dingen die de sociale en emotionele omgang van mensen met elkaar bijzonder aangenaam maakt, dat is het onderling vertrouwen. Jammer genoeg wordt daarmee nogal wat gesjoemeld. Elke dag weer worden kinderen misbruikt door de volwassenen aan wie ze werden “toevertrouwd”, altijd weer worden vertrouwvolle echtgenoten door hun wederhelft bedrogen, worden vrienden ontgoocheld, worden goedgelovige kopers opgelicht.

En subtieler, maar daarom niet minder erg: hoe dikwijls gebruiken we het vertrouwen dat men in ons stelt niet als verdekt chantagemiddel om iets te bekomen? En wie van ons heeft nog nooit een gevoel van macht ontleend - in welke gradatie dan ook - aan het vertrouwen dat iemand in ons stelt?

Laten we onszelf maar niets wijsmaken: we zijn wel graag principieel en bikkelhard in het beoordelen van andermans ontrouw, maar zelf zijn we ook niet zuiver op de graat. Onvolmaaktheid en onvolkomenheid zijn nu éénmaal eigen aan de (ook onze!) “condition humaine”.

Toch blijven we altijd vertrouwen zoeken en geven. Al is dat bij het ouder worden met wat meer scepsis, we kunnen niet anders. Het is voor ons allen een sterke behoefte de vreugde met een ander mens te delen, in iemand een toeverlaat te vinden voor pijn en verdriet. Vertrouwen kunnen geven dat niet beschaamd wordt, en zelf ook vertrouwd worden, schept een sterke band tussen mensen en geeft een veilig, geborgen gevoel.

Ook op het religieuze vlak hebben we diezelfde behoefte aan vertrouwen en zoeken we naar veiligheid en geborgenheid. Ieder van ons wordt in zijn leven voor omstandigheden geplaatst, waarin de hulp van een ander mens nauwelijks voldoet. Dan geeft het rust en bezweert het de levensangst wanneer je kunt geloven dat er “Iemand” is die je de hand boven het hoofd houdt; je vertrouwt erop dat “Die” het beste met je voorheeft, zoals jij dat zelf ook doet.

Vooral de confrontatie met de dood is voor heel veel mensen de aanzet om ernstig te gaan nadenken over de zin van het leven en onvermijdelijk worden daarbij de waarde en de draagkracht van de veelal aangeleerde religie (voor ons in het Westen het Christendom, of enger nog, het Katholicisme) aan de realiteit getoetst.

Maar ook hier gaat het over vertrouwen - het religieus vertrouwen is wellicht nog een sterkere psychologische behoefte dan het louter menselijk vertrouwen -, en ook hier durven we nogal wat sjoemelen.

Uit de werken van Elisabeth Kübler-Ross weten we, dat mensen die beseffen dat ze gaan sterven, proberen te marchanderen met God: “Als U me laat leven, zal ik dit of dat doen…”. Met alle respect voor de innerlijke strijd van een stervende, toch is dit ook maar een zeer menselijke uiting van vertrouwen.

En hoe voelt zo een mens zich wanneer hij beseft dat dit niet helpt? Elisabeth Kübler-Ross vertelt ons verder, dat er na de fase van het marchanderen, er één volgt van aanvaarding. Maar hoevelen krijgen de kans het psychische stervensproces te voltooien? Hoevelen sterven er niet met het gevoel in hun vertrouwen te zijn bedrogen? en hoeveel achtergebleven familieleden keren de hun aangeleerde religie in verdriet en verbittering niet de rug toe?

Wordt hier niet een te groot vertrouwen verwacht, gebaseerd op een onrealistische visie op de mens, en gevoed door een religie die de lijdenservaringen in een transcendent kader plaatst en met dogma’s en mysteries het onverklaarbare poogt te verklaren? En welke gewone mens behoudt in de zeer concrete noden van zijn doodsbed een dusdanig vertrouwen dat het daarbij niet gaat wankelen?

Hoe komt het toch dat we enerzijds zo een behoefte hebben aan vertrouwen en er anderzijds maar niet in slagen daar puur en onzelfzuchtig mee om te gaan? Vanwaar die haast niet te beheersen drang er voortdurend voordeel uit te willen halen, zowel op menselijk als op religieus vlak?

Als antwoord op deze vragen, leert het Boeddhisme ons dat wij, mensen, in alles wat we doen gedreven worden door begeerte en blinde passie.

Ons ego is weliswaar slechts een illusoire geestesconstructie, maar het drijft ons in al onze handelingen. Vertrouwen is niet echt een intellectuele - noch een wilsdaad, maar situeert zich vooral op het emotionele vlak.

En op dat gebied is ons ego uiterst actief.

Zonder ophouden blijven we bezig met het zoeken naar allerlei mogelijke wijzen om onze behoeften te bevredigen. Als het ook maar enigszins kan, dan zorgen wij ervoor dat we niets tekort komen. En daarvoor gebruiken we alle denkbare technieken: lief zijn, verstandig zijn, boos worden, sjoemelen, marchanderen, bedriegen,… Onze tijdsgeest en materialistische maatschappij kennen bovendien veel waarde toe aan assertiviteit en “gezond egoïsme”.

We voelen ons dan ook het meest kwetsbaar wanneer we gevoelsmatig afhankelijk zijn van een ander mens. Om het risico op een geschonden vertrouwen te vermijden, blijven we meestal iets of wat reserve bewaren, houden we de ander min of meer op afstand, bouwen we een zekere mate van (zelfbeschermend) wantrouwen in. We willen niet gekwetst worden, we willen niet misbruikt worden, we willen zeker ons gezicht niet verliezen.

Van de tegenpartij wordt echter wél op alle gebied onvoorwaardelijkheid verwacht. En deze manier waarop wij menselijkerwijze met het vertrouwen omgaan, trekken wij onvermijdelijk ook naar het religieuze door.

Dit alles gebeurt natuurlijk niet altijd bewust, maar het blijft daardoor niet minder waar. We hoeven echt geen illusies te koesteren: vanuit onze menselijkheid zijn we niet tot onzelfzuchtigheid in staat.

Is dit pessimistisch? Is dit denigrerend? Niet in het minst!

Dit is het bevrijdende realisme en de glasheldere logica van het Boeddhisme. Maar er is meer…en dàt vind ik nu het mooie aan de Leer: vlijmscherp wordt onze menselijke staat ontleed, maar even goed wordt ons een oplossing geboden. En dit is in vergelijking met de meeste religies uniek: niet als tegenprestatie voor een deugdzaam leven, niet als beloning voor het strikt opvolgen van wetten en geboden, niet als compensatie voor alle ellende op deze wereld… niets van dat alles!

Waar wij als kleine, onvolmaakte en onvolkomen mensen staan, dààr staat ook Amida die in Oneindig Mededogen zijn armen spreidt en ons uitnodigt ons aan Hem toe te vertrouwen, “just as we are”…

Waar ons vertrouwen in de mensen geschokt mag zijn, waar wij ontsteld staan over ons eigen onvermogen echt vertrouwen te schenken, dààr staat Amida met zijn Oorspronkelijke Gelofte en biedt ons een spirituele thuishaven, een geestelijk thuis, zijn Reine Land.

En het enige dat daarvoor nodig is, is het Ware Vertrouwen. Dat het als mens mogelijk is dit Vertrouwen te ervaren, bewijzen ons de voorbeelden van de myokonin. Maar het is moeilijk, erg moeilijk…

Wanneer we over het Ware Vertrouwen praten zoals Shinran ons dit heeft geleerd, dan is het van meetaf aan duidelijk dat we dit begrip opnieuw moeten her-aanvoelen.

Hier betekent Vertrouwen geen goedgelovigheid, geen “zich vastklampen aan”, geen onverschilligheid ten opzichte van de eigen verantwoordelijkheid “want Amida zorgt voor mij…”.

Hier is Vertrouwen: niet sjoemelen, niet marchanderen, noch bidden of smeken, want daarbij blijven we zelf nog altijd het centrum van de handeling.

Vertrouwen is het wegvallen van dat alles. Vertrouwen is het afbouwen van de reserves, van het wantrouwen, van de angst voor gezichtsverlies.

Hier vereist Vertrouwen een actieve, creatieve gemoedsinstelling: de bereidheid zichzelf als bombu te erkennen, als wezen dat beheerst wordt door blinde passie en driften. Vertrouwen is het loslaten van ik-berekeningen, van wensen en verlangens.

Hier is Vertrouwen: totale overgave, nederigheid en dankbaarheid. En dat is moeilijk, erg moeilijk.

Want nederigheid is in onze zelf-affirmerende wereld een vies woord en staat haaks op alle waarden die ons dagelijks voorgespiegeld worden. Jammer eigenlijk, want nederigheid heeft niets te maken met gevoelens van minderwaardigheid of kleinheid, maar wél met het juist inschatten van onze mogelijkheden én ons onvermogen om op eigen kracht het Reine Land te bereiken.

Wanneer we de nederigheid correct beoefenen, dan schept die de optimale omstandigheden waarin we de innerlijke ontvankelijkheid vinden om de Nembutsu - Amida’s Roep - in onszelf te horen weerklinken, te verwelkomen, te aanvaarden en te volgen, en ons volledig en vol Vertrouwen, in eensgerichtheid van gemoed, aan Amida over te geven…

Eenmaal we dan de Naam komen te horen rijst in ons het gemoed van dankbaarheid op, dankbaarheid voor het feit dat we ondanks onze blinde driften en om het even wie, wat of hoe we ook zijn, toch in de mogelijkheid verkeren de Geboorte in het Reine Land te verwezenlijken, want dàt is Amida’s Gelofte…

Namu Amida Butsu

Ekō 68

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
            home