“Kom Gewoon Zoals Je Bent”

Yuho B. Van Parijs

Vanuit mijn vaste stekje in de kloostertuin geniet ik van de zonnestralen die ook deze ochtend langzaam maar zeker hun weg doorheen het dichte gebladerte vinden. Adelin is bezig met onkruid te wieden, hij heeft geen haast, waarom zou hij ook, er is genoeg onkruid om een leven lang bezig te blijven.

Terwijl ik hem gadesla, komt een meisje de voortuin binnengelopen. Ze heeft een strandbal bij, en alhoewel haar kleine armpjes niet toereikend zijn om hem geheel te omvatten, houdt ze hem vast alsof het haar dierbaarste bezit was, haar beste vriend. Dan legt ze de bal neer en trapt hem in de richting van Adelin. Deze gaat echter zo in zijn werk op dat hij niet bemerkt dat hij tot speelkameraadje is bevorderd. Het meisje wacht even, maar het gehoopte antwoord komt niet. Een beetje ontgoocheld loopt ze de bal achterna, waarop ze het hele proces herhaalt, hopend dat het deze keer wel lukt. Maar Adelin heeft enkel oog voor onkruid.

Het hele voorval roept een gevoel van herkenning in me op. Zonder haar medeweten maakt het meisje mij tot deelgenoot van haar leven, wordt het voorval verzinnebeelding van mijn eigen innerlijke zoektocht.

In gedachten ga ik al die jaren terug - althans al die jaren die ik me durf te herinneren - en ik zie hoe een innerlijke wereld zich begon te ontplooien als reactie op een ziek lichaam, hoe de vraag naar het lijden, of beter, ‘mijn’ lijden, zich meester maakte van mijn jeugdige leven; hoe ik voor de eerste maal bewust werd geconfronteerd met het bestaan van een ego, nadat een “guru” mij voor de derde maal het bevel gaf om een trap schoon te maken die ik zojuist had schoongemaakt; hoe ik een aantal jaren later in een Japans Zenklooster terecht kwam, waar ik een sesshin meemaakte en waar de wens mezelf te verdiepen in de Leer eindelijk gestalte kreeg [terwijl ik dit neerschrijf rijst in mij de gedachte aan Shantao’s “Parabel van het Witte Pad”, was het hier misschien dat ik voor de eerste maal hoorde hoe de Boeddha me aanmaande het Pad te volgen?]; ik herinner me, hoe, éénmaal terug in België, ik de frustratie moest ondergaan die gepaard ging met het zoeken naar een geschikt leermeester, iemand die me kon begeleiden op meditatief en spiritueel vlak; hoe ik ook zocht, ik vond niemand die me kon helpen.

En toch is er Mededogen! [NamuAmidaButsu]

De frustratie van het vruchteloze zoeken en de confrontatie met nep-leraars brachten me ertoe mijn zoektocht naar een leraar te staken. Het is dan dat ik iemand ontmoette die ik sinds jaren niet meer had gezien, iemand waar ik altijd al een beetje verliefd op was geweest. Ondanks de celibataire trekjes die ik had overgehouden [zij het dan alleen uiterlijk] aan mijn Zen-periode, begon ik een relatie. Toen ik op een gegeven dag een gesprek had met haar ouders, kwam totaal onverwacht het Boeddhisme ter sprake, en tot mijn grote verbazing vertelden ze mij dat er in de familie een boeddhist rondliep, iemand die Boeddhisme doceerde aan de Faculteit en zelf een tempel had. Dat deze boeddhist op nog geen vijf minuten wandelen van mij thuis woonde maakte de verrassing compleet.

Mijn eerste contact met Shitoku verliep over de telefoon, en in tegenstelling tot vorige pogingen kreeg ik geen prijslijst van zafu’s, priestergewaden en lidgelden te horen, maar een simpel “kom gerust eens af, je bent welkom”. Tot op de dag van vandaag heb ik geen woorden om de dankbaarheid te beschrijven die ik toen voelde.

Het zou een grove leugen zijn te zeggen dat vanaf dan alles rozegeur en maneschijn werd. Integendeel, vanaf dan begonnen de ware moeilijkheden. Allereerst was er het feit dat in Jodo-Shinshu niet aan formele meditatie wordt gedaan. In plaats daarvan werd gesproken over Vertrouwen in het Mededogen en de Wijsheid van de Boeddha, over de ontoereikendheid van onze eigen meditatieve en niet-meditatieve praktijken, dingen waar ik me moeilijk mee kon verzoenen omdat ik ze niet begreep. Ik wou mediteren! De cursussen waren aartsmoeilijk, althans zo ervoer ik ze in het begin, de Vier Edele Waarheden, nooit van gehoord, de leer van niet-zelf, wablief!? Toch hield ik vol, ik wou leren begrijpen, en ik zou kost wat kost te weten komen waar het allemaal om draaide.

Dat ik op den duur toch een beetje begon te begrijpen van de Leer maakte het misschien intellectueel wat makkelijker, praktisch, emotioneel en op spiritueel vlak gezien echter werden de dingen er enkel ingewikkelder door.

Hoe meer ik de Leer bestudeerde, hoe meer ik luisterde naar de dharmatalks, des te meer werd ik me bewust van mijn eigen onvermogendheid. Tot dan toe was ik blijven mediteren, of beter, ik was met gekruiste benen blijven navelstaren, tot ik op een gegeven moment tot het besef kwam dat ik niet eens wist wat nu eigenlijk mediteren was.

Ook wat de Nembutsu betrof verging het me niet veel beter. In het begin had de Nembutsu wat mij betrof niets te maken met Gelofte-Kracht, met Mededogen, met Geboorte in het Reine Land. Als ik er al toe kwam de Nembutsu te reciteren - geloof me, het heeft lang geduurd voor het zover was -, dan was het enkel met het oog op het verwerven van een zekere geestesconcentratie, een beetje zoals men in sommige Zen-kloosters de Nembutsu als kōan gebruikte. Ook gebruikte ik de Nembutsu als een soort tranquillizer, om een onrustig gemoed tot rust te brengen, iets in de zin van “bij om het even welk probleem, reciteer een paar duizend nembutsutjes en het gaat wel over”. [Ik wil hier direct de wijze raad van Rev. Kimura aan toevoegen: “Nembutsu is the sharp sword that slays the ego, but don’t try to use it, or it will kill you!”: men weze gewaarschuwd].

Toch kwam er een onverwachte wending, zij het een redelijk pijnlijke, in deze hele situatie. Toen ik op een dag, nu al een heel tijdje geleden, weer eens bezig was met een marathonsessie van Nembutsu-recitatie [een beetje naar Honen’s voorbeeld, alhoewel ik hier Honen veel onrecht mee aandoe] overviel mij plots het besef dat in hetgeen waar ik mee bezig was geen greintje oprechtheid zat, waar ik mee bezig was, was niets dan overdreven arrogantie, de arrogantie de Boeddha-Wijsheid voor mezelf te willen doorgronden. De schok die dit besef met zich meebracht maakte dat ik ophield met het reciteren van de Nembutsu, dat ik zo beschaamd werd dat ik de Nembutsu zelfs niet meer durfde te zeggen. Voor de eerste maal besefte ik werkelijk de diepte en onverbeterlijkheid van mijn eigen dwaasheid.

De maanden die daarop volgden waren maanden van spirituele wanhoop, van een gevoel van complete mislukking. Ik wist niet meer wat te doen. Zelf de Nembutsu reciteren kwam in mijn ogen neer op een direct verraad aan de Boeddha. De Naam horen deed ik niet, hoe ik ook probeerde te luisteren, ik hoorde niets. Alhoewel ik op spiritueel vlak gedurende deze periode niets dan dorheid te verwerken kreeg, bleef ik de werken van Shinran en de Sutra’s bestuderen, hopend op een doorbraak. Na een tijdje kwam ik er terug toe de Nembutsu te zeggen, niet uit berekening of verwachting, voor één of ander profijt, maar zomaar, gewoon om de Nembutsu.

En dan, een paar dagen geleden in de bossen rondom de abdij van Westmalle. Terwijl ik aan het wandelen was zong ik stilletjes de Nembutsu, niet in Shomyo-stijl, neen, gewoon op de melodie en het ritme die ik die ochtend in mijn hoofd had. Mijn gemoed was helder en rustig. Plotseling rezen in mij de woorden “Kom gewoon zoals je bent”. Ik stond zo perplex dat ik geen voet meer verzette. Niet alleen had ik duidelijk deze woorden gehoord, ik wist ook heel precies waar ze vandaan kwamen en wat ze betekenden. Mijn gemoed vulde zich met dankbaarheid en vreugde, een enorme diepgevoelde vreugde. De vreugde en dankbaarheid die men ervaart op het moment dat iemand waar men zielsveel van houdt deze liefde met liefde beantwoordt. Ik voelde hoe een enorm zware last van me afviel, hoe de Boeddha me onvoorwaardelijk omvatte en aanvaardde zoals ik was, ik besefte dat dit altijd al zo was geweest, zelfs wanneer ik het niet besefte, ik wist zonder enige twijfel dat de Gelofte-Kracht waar en werkelijk was.

Terug bij het meisje en haar bal denk ik: “blijf rustig verder trappen, ondanks de teleurstellingen, de ontgoochelingen, de frustraties die je nu moet meemaken, blijf rustig verder trappen, want op een dag, wanneer je het niet verwacht, trapt iemand de bal terug. Wanneer ik daaraan zelfs maar denk wordt jouw vreugde mijn vreugde, Namu Amida Butsu.”

Yuho

Ekō 70

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
            home