Editoriaal - ‘Moraliteit’… Ook naar binnen toe…

Wanneer we de boeddhistische visie op moraliteit en haar formulering in beschouwing nemen, komen we al snel tot de bevinding dat het hier om méér gaat dan een louter moraliserende of moralistische kijk op de wereld.

Reeds in de verwoording van de zgn. ‘moraliteitsregels’ bemerken we een overduidelijk verschil tussen bijv. de Joods/Christelijke opvatting en de boeddhistische visie.

Zo lezen we in de Decaloog bijvoorbeeld het zinnetje” Gij zult niet doden” als één van de 10 gebodsbepalingen. Allereerst zien we dat het hier gaat om een ‘gebod’ dat van buitenaf aan de mens wordt opgelegd, een wettelijk kader waaraan of waarbinnen de mens zich dient te houden, op straffe van… Ten tweede slaat “Gij zult niet doden” terug op de uiterlijke handeling van het doden, en enkel dat. Wanneer we bedenken dat we niet in staat zijn te overleven zonder te doden (we doden o.a. om te eten) dan wordt duidelijk dat “Gij zult niet doden” enkel betrekking heeft op de menselijke wezens. In deze zin kan men deze moraal dan ook als een maatschappelijke moraal bestempelen.

De boeddhistische tegenhanger van het “Gij zult niet doden” luidt: “Ik neem op mij het voornemen mij te onthouden van het beroven van enig leven.” Allereerst bemerken we dat de nadruk niet zo erg gelegd wordt op de uiterlijke handeling van het niet-doden, als wel op de innerlijke intentie, het vaste voornemen en de persoonlijke wens zich te onthouden van te doden. We spreken van een voornemen, d.w.z. iets dat we zullen betrachten, iets waarvoor we de aansprakelijkheid op ons nemen, ook al weten we dat om te leven we niet anders kunnen dan doden. Het voornemen zich te onthouden van het beroven van enig leven is dan ook gebaseerd op het inzicht dat élk leven (welke vorm het ook aanneemt) kostbaar is, dat elk wezen, hoe of wat het ook zij, het leven als diepste wens koestert. Vanaf hier kunnen we gerust stellen dat de boeddhistische moraliteit haar eigen grenzen overstijgt, dat ze ophoudt louter moraliteit te zijn, dat ze behoort tot, of op zijn minst verwijst naar het domein van de spiritualiteit.

Wanneer we rondom ons kijken zien we dat de wens-tot-leven alomtegenwoordig is, dat deze vanuit de natuurlijkheid door en in alle wezens gemanifesteerd wordt. We zien het in de naar adem snakkende boreling, in het opgejaagde prooidier, in de tot bloei komende bloem. We noemen het de dynamiek van het Leven, we zien hoe de dingen zich ontplooien, hoe het Leven zelf zich ontplooit, generatie na generatie, leven na leven, keer op keer, moment na moment, als Oneindig Groot Mededogen. We zien het overal… behalve in onszelf. Telkens wanneer het Leven in ons gemoed een bloem doet bloeien, breken we ze af, beroven we ze van haar levenskracht, we zijn zo geleerd en bedreven in de bloemensierkunst, dat we vergeten zijn dat bloemen het mooist zijn op de plaats waar ze groeien.

Het Oneindige Leven (Amitayus) ontplooit zich onophoudelijk in ons gemoed, wil ons onophoudelijk deelzaam laten worden in de Schitterende Pracht van het Reine Land. Ontelbare Nembutsu-bloemen worden gezaaid in een veld van Vertrouwen. Rode bloemen met een rode schijn, blauwe bloemen met een blauwe schijn, witte bloemen met een witte schijn. Ruk ze niet uit, stop ze niet in een vaas, laat ze gewoon bloeien…

Ik neem me voor me te onthouden van het beroven van enig leven… niet enkel wat het leven van anderen betreft, ook wat het leven in mezelf betreft…, want is dat niet hetzelfde Leven?

In Gasshō,

Yuho

Ekō 72

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
            home