Een Andere Drummer

Martine Strubbe

Lang geleden leerde ik de Amerikaanse schrijver Henri David Thoreau kennen, een achttiende-eeuwse romanticus, utopist en kenner van de Veda’s. Zijn belangrijkste werk, Walden, or Life in the Woods, beschreef een experiment ‘in essential living’. Het is een verslag van een verblijf van twee jaar, twee maanden en twee dagen in de bossen van Concord, Massachusetts. Hij verachtte de maatschappij, keerde haar de rug toe, en wou zichzelf bewijzen dat het mogelijk was van de vruchten in het bos te leven en gelukkig te zijn met een minimum aan comfort.

Ik hield enorm van het boek, nu nog vind ik er een aantrekkelijke, maar utopische levensvisie in terug. Wat mij vooral aantrok, was de idee dat men niet verplicht is deel te nemen aan een maatschappij die men als absurd beschouwt, die men afkeurt. Eén van Thoreau’s uitspraken luidt als volgt: “If a man does not keep pace with his companions, perhaps it is because he hears a different drummer.”

Als iemand geen gelijke tred houdt met zijn kompanen, is dat misschien omdat hij een andere drummer, een ander ritme hoort.

Kunnen uitbreken uit je bestaande leven, de diep ingeslepen patronen in jezelf en in een maatschappij verwerpen, en radicaal je eigen weg gaan, dat vond ik, en vind ik nog altijd heel waar! Ik denk dat ieder mens diep in zich zo een verlangen koestert, maar er dikwijls geen gevolg aan kan of wil geven. Ik herkende in dit boek in ieder geval mijn eigen drang om mijn weg te zoeken, hoewel ik daar lang niet altijd in geslaagd ben…

Wij kunnen ons - uiterlijk of innerlijk - altijd verzetten tegen dictaten die onze richting uitwaaien, revolteren als wij vaststellen dat wij weeral eens vastzitten. Het is geen probleem als men ons - ongevraagd - zegt hoe we onze wc. moeten ontkalken, of lekkere frieten moeten bakken, of hoe wij best onze auto onderhouden. Maar wij moeten nooit toestaan dat men ons zou zeggen hoe wij ons leven moeten inrichten, of hoe wij onze kinderen moeten opvoeden.

Laat ons dat maar eigenzinnigheid noemen.

Zou dat ‘in overeenstemming’ zijn met een boeddhistische levensvisie? Mijn bescheiden ervaring leert mij dat het antwoord hierop positief is. Ja, dit is een boeddhistische levenshouding. Heeft de Boeddha niet opgeroepen tot een vrijzinnig, zelfstandig onderzoek van alle ervaringsgegevens, waaruit wij de voor ons gepaste conclusie moeten trekken? Was de vernieuwing die zijn leer aanbracht niet net gelegen in het feit, dat hij de mensen aantoonde dat zij niet noodwendig vastgeklonken zitten in hun omstandigheden, dat zij binnen de beperkingen van hun situatie, hun lot zelf in handen kunnen nemen? Verantwoordelijkheid opnemen in het eigen leven, het geluk niet laten afhangen van de meningen en oordelen van anderen. Zo wil ik leven.

Als ik boeddhist wil worden in een westerse, min of meer a-religieuze maatschappij, en mij daarmee de kritiek op de hals haal van ‘andersdenkenden’ van links en rechts, dan is dat zo. Ik kan daar wel last van hebben, echter, kan ik daar geen rekening mee houden… Evenzo kan iemand vegetariër willen worden. Of als ‘briljant geneesheer’ zich willen terugtrekken als kluizenaar in Frankrijk, in plaats van zich ‘nuttig’ te maken voor de zieke medemens.

Of iemand kan kunstenaar worden, terwijl zijn vader erop rekent dat hij het familiebedrijf zal overnemen. Afwijken van gevestigde paden, mag, moet, afwijken van wat ‘pa ons heeft geleerd’ kan nuttig zijn… Dat is in overeenstemming met de veranderlijkheid van de wereld.

Bestaande tradities zijn altijd doorbroken geweest door eigenzinnige mensen, die een leven wilden leiden dat meer aangepast was aan de veranderde omstandigheden… De vraag is alleen welke de bron is van de eigenzinnigheid. Wie is de drummer?

Vele jaren later heb ik Confucius leren kennen, en zijn maatschappijvisie waarin de harmonie zeer hoog wordt aangeslagen: ‘De hoogstaande mens zoekt harmonie, eerder dan gelijkheid.’

En in het boek ‘River of Fire, River of Water’ van T. Unno (1) over het Shinboeddhisme, las ik een citaat toegeschreven aan prins Shotoku, die in de 7de eeuw de zich ontwikkelende Japanse staat een basis wilde verlenen door een soort constitutie op te stellen. De invloed van het Boeddhisme én van Confucius was voelbaar aanwezig. Eén van de teksten luidt als volgt:

“Laten wij onze woede beëindigen, en ons onthouden van boze blikken. Laten wij niet haatdragend zijn wanneer anderen van ons verschillen. Want alle mensen hebben een hart, en elk hart heeft zijn eigen neigingen. Want we zijn allemaal één met de ander, wijzen en dwazen, net zoals een ring geen einde heeft. Daarom, laat ons onze eigen fouten vrezen, ook al geven anderen toe aan woede, en hoewel wij alleen misschien gelijk hebben, laten wij de menigte volgen en ons gedragen zoals haar.”

Doorheen deze tekst klinkt een groot verlangen naar vrede en harmonie in de maatschappij. Westerlingen merken het hoog democratische gehalte van de tekst op. Dat proberen wij hier zelfs in België, onze meningen ondergeschikt houden aan het gelijk van de meerderheid…
en weliswaar vooral op het politieke gebied (!).

Hoe moet dat nu, waar blijft het individu met zijn verlangen ‘zichzelf’ te worden? Hoe kan hij zich dan invoegen in een harmonisch geheel?

De leer kan ons ook hier weer op weg zetten, want hij verschaft ons inzicht in de ware aard van de wereld, die veranderlijk is, en waarin alle wezens opgenomen zijn in een onderlinge verbondenheid. Door alles stroomt hetzelfde onmeetbare leven, dat alle wezens met elkaar gemeen hebben. Door dit gegeven zijn alle wezens ook afhankelijk van elkaar. Ik kan leven dank zij vele andere bestaansvormen die mijn eigen leven mogelijk gemaakt hebben, die omstandigheden hebben gecreëerd waarin ik kon geboren worden als mens. En op mijn beurt, vorm ik een schakel, in de ononderbroken ketting van opkomende en neergaande levensvormen. Zo vormen wij allen samen de wereld, een totaliteit, een eenheid.

Als wij kunnen leren inzien dat onderlinge verbondenheid de essentie is van ons bestaan, dat hetzelfde leven stroomt doorheen alle wezens, dan staan wij open voor de inhoud van het leven, voor het ‘heilige’ dat ons verbindt. Als wij tezelfdertijd kunnen zien dat elk wezen op unieke wijze vorm geeft aan dit leven: als kat of hond, als mens - vrouw, man, neger, excentriekeling, kluizenaar, zanger, geneesheer, tuinier, voetballer, romanticus, missionaris, koppigaard.

Zo zijn we als individu, als unieke éénmalige verschijningsvorm, deel van het leven. En tezelfdertijd stroomt het leven doorheen ons.

Deze intieme verhouding is voor ons meer sacraal dan wat dan ook…

Dat is wat de nembutsu zegt. De nembutsu, dat is de naam van die totaliteit van onmeetbaar leven. De naam is niet Amida, oneindig, onmeetbaar leven. De naam is ook niet Amida Butsu, de volkomen verlichting. De naam is Namu Amida Butsu, namu dat zijn de wezens die vorm geven aan het leven. Zonder de concrete wezens, is er geen amida butsu, zonder amida butsu is er geen namu.

Als we Namu Amida Butsu zeggen, dan zeggen we vooreerst dat wij en het onmeetbare leven in feite één zijn, maar ook dat onze geest niet anders kan dan een af gescheidenheid tussen ons en de wereld ervaren, en dat het ‘goed is’ zo te leven in niet-tweeheid. De naam wordt aldus de bron van dankbaarheid voor het leven en voor de mogelijkheden die ons geboden worden.

Leren leven in de nembutsu, betekent dan ook dat wij, als uniek (menselijk) wezen, ons mogen, moeten verwerkelijken, moeten worden dat wat we kunnen worden, maar dat we daarin gebonden zijn door een respect voor het geluk van de ander, en door een verlangen naar harmonische relaties met het geheel. We worden ons bewust dat als we kunnen worden wat we zijn, we ons tevens bevrijd hebben uit de zelfgebouwde gevangenis waarin we leven, maar dat deze vrijheid voor ons altijd een onvrijheid zal inhouden, zolang niet alle andere wezens evenzeer tot de mogelijkheid van bevrijding worden gebracht. De boeddha-dharma kan ons leren ‘zinnig eigenzinnig’ te leven, gevestigd in Ander-Kracht.

Dat is het hoogste menselijke ideaal: zichzelf toelaten te worden wat men moet worden, om ten volle te beantwoorden aan het leven. En tezelfdertijd bewogen worden door mededogen, levend tussen de mensen in de wereld en de wereld niets dan goed toewensen. Dat is de middenweg, het leven overheen de schijnbare tegenstellingen.

En de drummer? Dat is voor een boeddhist duidelijk niet de dictatoriale, verdwaasde ik-mens die alles opeist voor zichzelf ten koste van de anderen, iemand die excentriek is om zichzelf te affirmeren, of om zich af te zetten tegen de buitenwereld.

De drummer verwijst naar de oneindige werkelijkheid, waaruit onze kracht en inspiratie komt.

De drummer is Ander-Kracht, overal hoorbaar in het universum, toonaangevend en inspirerend. Wat een aansporing tot leven, ieder besef van nembutsu, ieder gefluister van de naam, iedere keer de nembutsu tot ons doordringt!

Namu Amida Butsu.

(1) Uitgeverij Doubleday, New York; volgend jaar in Nederlandse vertaling bij Ashoka.

Ekō 82

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
            home