Martine Strubbe
Vorig jaar, op een koude, heldere decembermorgen, nadat ik mijn zoontje per fiets naar school had vergezeld, besloot ik een ritje te maken rond de potpolder in Tielrode. Deze mooie polder, die is aangelegd om hoge waterstanden in de Schelde op te vangen, biedt niet alleen een thuis aan vele soorten dieren, en een geschikte groeiplaats voor zeldzame planten, maar betekent ook voor de mens een haven van rust.
Toen ik na een moeizame klim, met de fiets aan de hand, een hoge, steile dijk was opgestrompeld, wachtten mijn ogen, die zich de laatste seconden hadden vastgeklampt aan het gras en de modder onder mijn voeten, een buitengewoon aangrijpend schouwspel. Moeilijk te beschrijven, kan ik er alleen van meedelen dat ik een ongemeen schitterend (letterlijk!) samenspel van rood en zwart mocht aanschouwen: tegen de intens rode achtergrond van de zonsopgang, tekenden zich de zwarte silhouetten af van twee Brabantse trekpaarden, die zich tot elkaar verhielden als een spiegelbeeld, de hoofden samen, de poten geplant in de zwarte aarde. Tussen de hemel en de paarden een rij zwarte, kale knotwilgen, met takken in grillig kantwerk. Zo onvoorbereid als ik was om dit te zullen zien, zo verrast was ik door het tafereel.
Omdat ik niets verwachtte, omdat ik in de momenten daarvóór opgeslorpt was geweest in het fysieke gevecht met de dijkhelling, was ik open geworden om de werkelijkheid zoals ze is te aanschouwen. Ik besefte toen dat ik even getroffen was geweest door Ander-Kracht, dat in deze ‘betovering’ de rode gloed van Amida mij eventjes had ‘aangeraakt’..
Ik moest hieraan terugdenken toen ik een tijd later, ook in het hart van de winter, besliste om een ritje te maken door de polder. Omdat het ook nu zo’n helder weer was, dacht ik weer een mooie zonsopgang te zullen zien. Zo fietste ik, gevuld met verwachtingen, naar de polder. En de zonsopgang was mooi, adembenemend mooi, een overweldigend spel van vele tinten rood, met blauwe en groene vlekken, uitgesmeerd niet alleen over het oosten, ook in het noorden, het westen en het zuiden danste de rode gloed door de wolken.
En toch was de ervaring niet zo intens als die vorige keer. Misschien was de hemel nu veel kleurrijker, was het nu veel ‘mooier’, maar toch was ik niet bij de keel gegrepen. Ik had teveel ‘verwacht’, mijn geest was al te veel vóórgevormd en gericht op het zien van iets moois. Ik zag teveel kleuren, teveel details, mijn geest werkte analyserend. Die vorige keer, was de werking van mijn geest teruggebracht geweest tot onmiddellijkheid, ik zag alleen wat ik achteraf kon beschrijven als rood en zwart en de vorm van paarden en bomen.
Het is naar aanleiding van dergelijke ervaringen dat men zich kan bezinnen wat het betekent te leven in de Nembutsu. Er wordt van ons een niet-willen gevraagd, een niet-streven, net zoals die eerste keer de paarden mij toesprongen vanuit een totaal gemoed van argeloosheid, niet-willen, niet-kunnen-weten wat komt. In het samenvallen met onze handelingen, in deze toestand van los – zijn van egocentrische berekeningen, worden wij open, en laten wij toe ‘getroffen te worden door Ander-Kracht’. En hoe meer we leven vanuit een verkrampt verlangen Verlichting te realiseren, hoe langer we er zullen van weggehouden blijven. Verlangen naar iets, of iets vrezen, is een hindernis op de weg naar bevrijding. Alleen in het niet-verlangen en niet-vrezen geven wij toelating aan Ander-Kracht, aan het Oneindige Leven om door te dringen tot ons gemoed.
Wat moeten we dan doen? Er rest ons niets anders dan de Boeddha-dharma te leren kennen, ze te bestuderen, en vervolgens te leven alsof we alles vergeten zijn…En dit is geen éénmalig proces! ‘Studie’ moet zich constant afwisselen met dit onthechten aan de woorden, met dit ‘vergeten’. En wat eens startte als een analyserend, afstandelijk weten, gestuurd door de wil, zal zich in ons meer en meer verdiepen tot het de laatste en meest verborgen lagen van ons wezen zal omgevormd hebben tot een waarachtig weten, dat een weten is geworden dat de dingen ziet zoals ze ‘echt’ zijn, zoals ze ‘echt’ in werking zijn, ‘aan’ zijn.
De nembutsu kan ons voeren naar deze toestand van ongebondenheid, van het los zijn van opinies en verwachtingen, een toestand van weten dat niet-weten is, een willen dat niet-willen is, het rijk waar paradoxen als niet-paradoxen worden ervaren, omdat ze echte werkelijkheid uitdrukken.
Namu Amida Butsu
|
|
|
|
|
|
Ekō 84 |
|
© 2003 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |