Sh. Myōkai Rutger Franck
Soms zeg je de Nembutsu luid, soms stil.
Soms denk [1] je er alleen maar aan,
maar dat betekent in werkelijkheid dat je de Nembutsu hoort
niet met je denken,
maar met je gemoed, je hart.
Soms zeg je hem in of buiten de tempel,
wanneer je alleen bent of niet,
staande, zittend of liggend, bij ‘t slapengaan, ‘t opstaan of bij 't eten...
Wanneer je een Dharma-tekst hoort, leest of schrijft,
Wanneer het je goed gaat of slecht...
Wanneer je blij bent om de vreugde van anderen,
Maar ook wanneer je meevoelt
bij hun kommer of ellende,
misschien bij het bijwonen van een herdenkingsplechtigheid of begrafenis...
Soms komt-ie uit dankbaarheid voor alle medewezens,
en misschien soms heel stil en met betreuren voor een ‘verkeerde daad’...
Soms met tranen in je ogen...
En soms gewoon 'zomaar',
op alle mogelijke momenten van de dag...
Als je zo de Nembutsu hoort en zegt
dan is dat de spontane opwelling
uit je kreunend, steunend, gekweld en hunkerend hart [2],
uit je Gemoed van Vertrouwen,
dat getroffen is door en voeling heeft met de Ware Werkelijkheid,
het diepe besef dat je bevrijd bent uit de ketens van de samsarische illusie
en dat je je gegrepen voelt
door Amida’s Grote Gemoed
van Wijsheid-Mededogen,
dat je omvat
om je nooit meer los te laten.
Daarom ook zegt de wijze Dharma-meester [3]:
'Wanneer iemand de Naam van de Boeddha uitspreekt
met een vertrouwend en zuiver gemoed,
met wijsheid en vreugdige oprechtheid,
dan is die persoon in de aanwezigheid
van de Boeddha.’
[1] Jap. nen
[2] D.T. Suzuki
[3] uit het Dvadaśabuddhaka-sūtra
|
|
|
|
|
|
Ekō 85 |
|
© 2003 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |