Akutagawa Ryūnosuke
Naverteld door Rev. Muneto Sonoda.
KANDATA, een in de hel gevallen boosdoener, dreef samen met andere boosdoeners rond in de donkere bloedvijver van de hel.
Hij was in zijn vorig leven een gevreesde en beruchte rover geweest. Hij had mensen vermoord, huizen in brand gestoken en nog veel meer ander kwaad gedaan.
Slechts éénmaal had hij een goede daad verricht en dat was zo gegaan:
Op een keer zag hij langs de rand van de weg in het dichte woud een kleine spin kruipen. Hij stond reeds op het punt ze dood te trappen, toen hij plotseling tot zichzelf zegde: Neen, neen, hoe klein ze ook is, er is toch leven in haar. Haar dit leven niet gunnen zou al te meedogenloos zijn. En zo spaarde hij het leven van de kleine spin.
Maar nu zwom Kandata reeds oneindig lang in de bloedvijver kreunend van ellende, in de doodstille duisternis van de hel. Hij was zodanig uitgeput en voelde zich zo hulpeloos als een stervende kikker.
Maar toen gebeurde er iets.
Toen Kandata op een keer, eerder toevallig, zijn hoofd ophief en de hemel boven de bloedvijver bekeek, zag hij plots door de duisternis heen van over de hemelrand een zilver, glanzend spinrag naar beneden zweven. Van grote vreugde begon Kandata in zijn handen te klappen en dacht: ‘Als ik nu eens dit spinrag vastgreep, en naar boven klauterde, kan ik zeker deze hel ontvluchten en misschien zelfs het paradijs bereiken.’ Hij pakte met beide handen de draad en begon met alle kracht naar boven te kruipen. Maar, aangezien de hel en het paradijs, wie weet, hoevele duizenden mijlen van elkaar liggen, was dit allemaal niet zo eenvoudig, en na een tijdje moest Kandata voor een ogenblik uitrusten. Als hij daar zo aan die draad hing, keek hij naar beneden in de grote diepte en kon door de duisternis de bloedvijver niet meer zien. Hij verheugde zich in het feit nu toch uit de hel te kunnen ontsnappen en hoopte met nog zo een afstand af te leggen, eindelijk het paradijs te bereiken.
Doch, plotseling bemerkte hij dat beneden aan het einde van de draad ontelbare boosdoeners hem nadeden en zoals een lange rij mieren ijverig naar boven klauterden. Met schrik staarde Kandata op die anderen neer en dacht: ‘Hoe kan zo een fijne draad, die bijna alleen al onder mijn eigen gewicht zou kunnen afbreken, de last van zovele mensen dragen?’ Daar moest onmiddellijk iets gebeuren anders zou de draad zeker afscheuren, dacht hij. Daarop begon Kandata luid te roepen ‘Hé jullie schelmen! Deze draad is van mij! Naar beneden met jullie, naar beneden, zeg ik!’
En op hetzelfde ogenblik brak de draad, die tot nu toe stand gehouden had ondanks de zware last, met een fijne trilling door, juist op die plaats waar Kandata hing. Kandata stortte hals over kop weer in de duistere diepte van de hel.
Boeddha stond aan de oever van de paradijselijke vijver en had alles van het begin tot het einde gevolgd. Het was hijzelf geweest die ‘het spinrag van de redding’ voor Kandata in de hel had geworpen.
Hij was bedrukt omdat Kandata zo meedogenloos, egoïstisch was geweest. Kandata had alleen maar aan zijn eigen redding gedacht. Daardoor, als straf, moest hij terug in de hel vallen. Zo eindigt de treurige geschiedenis van Kandata.
***
Akutagawa Ryūnosuke leefde in de Taisho-periode. Hoewel de schrijver geen verdere uitleg geeft, is de zin van deze geschiedenis toch zeer duidelijk. Als Kandata niet zo egoïstisch gebruld had, zou hij niet in de hel teruggevallen zijn.
Anders gezegd: als hij op de sterkte en taaiheid van het spinrag zou hebben vertrouwd, dan zou hij niet zo geroepen hebben. In plaats daarvan zou hij zich verheugd hebben dat ook de anderen mét hem zouden gered worden.
De ‘draad van de redding’ die met het ‘oneindig mededogen’ van de Boeddha gevlochten werd, houdt, hoe fijn en breekbaar hij ook mag lijken, het gewicht van oneindig vele mensen. Maar voor diegenen die slechts aan hun eigen redding denken, is hij zo breekbaar als een werkelijk spinrag. Het is zelfs zo dat, wanneer men egoïstisch denkt en handelt, men reeds nu in deze wereld in een hel leeft, een hel vol van bedrog en twisten.
Bron: Eko-Blätter Düsseldorf, Heft 6 Sommer 1997. Vertaald door José Pimienta.
Het is ook duidelijk, dat het hier niet enkel gaat over
het vertrouwen in het ‘grote mededogen’ van de Boeddha.
De nadruk werd ook even gelegd op het feit dat Kandata
niet verheugd was dat de andere boosdoeners eveneens
gered werden. Kandata kende dus geen medevreugde.
Ayya Kema, auteur van ‘Being Nobody and Going Nowhere -
Meditation on the Buddhist path’, legt in haar boek sterk
de nadruk op ‘vreugde met anderen’ en noemt medevreugde
één van onze vier vrienden samen met liefde (metta),
mededogen en gelijkmoedigheid.
Ze noemt ‘afgunst’ als de verre vijand van medevreugde en
gemaaktheid of hypocrisie als de nabije vijand.
Verder zegt ze dat medevreugde een uiterst betrouwbaar
tegengif is tegen neerslachtigheid en een goede bouwsteen
voor positief karma.
(J. Pimienta)
|
|
|
|
|
|
Ekō 86 |
|
© 2003 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |