Memoriaaldienst voor Luc Lammens (25/11/2000)

Lut Van Schoors

Bij het voorbereiden van deze tekst, vroeg ik me af wat ik nog over Luc kon vertellen, dat al niet minstens tien keer is gezegd.

Eigenlijk een onzinnige vraag, als ik bedenk hoe iemand die al zo lang dood is in zoveel levens een prominente plaats blijft innemen, en zelfs aanwezig kan zijn in een huis waar hij nooit heeft gewoond…

Dat heeft natuurlijk veel meer met ons te maken dan met Luc zelf.

Wij houden hem levend onder ons, door herinneringen op te halen, door ons af te vragen hoe hij in die of die situatie zou hebben gereageerd, door hem te gedenken.

Na Lucs dood had ik het erg moeilijk met het idee aan de tijd die ik niet kon stopzetten. Hij zou altijd de jonge man blijven, zoals we hem zien op één van zijn laatste foto’s: lachend, met de uitdagend rode sjerp rond zijn hals geknoopt. En naast die verblekende, vervagende en stilaan verkleurende foto zou ik ouder of oud worden. Ik zou verder leven en verder groeien en in mijn gevoel was dat hetzelfde als Luc achterlaten. Dat vond ik onrechtvaardig en afschrikwekkend. Dat wilde en dat kon ik niet.       

* * *

Maar tijdens de afscheidsdienst, op 29 november 1989, sprak Shitoku o.a. de volgende woorden:

            In de armen van Amida Boeddha’s Grote Mededogen

            zijt gij vertrokken naar de Westelijke oever

            en wij betreuren het verlies van uw aanwezigheid.

            In de armen van Amida Boeddha’s Grote Mededogen

            zijt gij vertrokken naar het Land van Vreugde en Zaligheid

            Hoe weldadig zijt gij, ons door het verlies van uw leven het

            heil te tonen.

Deze woorden betekenden toen al een grote troost, al verstond ik ze nog niet.

Het is wel zo, dat wanneer ons leven door een sterfgeval of een ander verlies overhoop wordt gehaald, we veel sterker dan anders de behoefte voelen aan een religie die ons het hoe en waarom van dat alles verklaart. En in de Leer van de Boeddha, de Leer die Luc mij heeft nagelaten, heb ik alle antwoorden gevonden.

Het was een jarenlang proces, om te kunnen bevatten, om te kunnen aanvaarden, dat verlies ook heil kan betekenen. En het is moeilijk te beschrijven hoe en wanneer je plots beseft dat je zover bent.

Waarschijnlijk op het moment dat je voor die foto gaat staan, die foto die ik daarnet beschreef, en door de momentopname heen een grotere en diepere werkelijkheid ervaart. Dat je beseft dat juist al dat lijden, al die pijn, de woorden van Amida illustreren en verklaren. Dat ze de nodige ervaringen waren om tot een juist besef van de werkelijkheid te komen.

Waarschijnlijk wanneer je heel sterk gewaar wordt dat je er niet alleen voor staat, dat de mededogende Boeddha er ook voor jou is.

Waarschijnlijk op het moment dat het begrip « Ander-Kracht » niet langer meer alleen maar een begrip is.

Dan ga je verder nadenken over alles wat je hebt meegemaakt. Dan krijgen de herinneringen een andere betekenis. Zo dacht ik laatst aan de dag dat ik Luc naar het ziekenhuis voerde. (Ik kon toen nog niet zo lang auto rijden, Luc had me dat geleerd, en het was de eerste keer dat hij niet als instructeur maar als passagier naast me zat. Maar toch kon hij het niet nalaten om me te corrigeren…).

Na enkele onderzoeken wisten we meteen dat het ernstig was, Luc moest voor onbepaalde tijd worden opgenomen en deelde een kamer met een nogal simpele, duidelijk zieke man. Ik was daar niet zo gelukkig mee. Ik vond die Didier geen goed gezelschap voor hem.

Maar toen ik naar huis ging en vroeg of ik ‘s anderendaags zijn boeddhabeeldje moest meebrengen zei hij « Nee, nog niet, ik zit met Boeddha op de kamer ».

Pas toen hij een isolatiecel kreeg mocht het beeldje mee, in afzondering.

Kijk, zo was hij. En dat had niets van doen met exotisme of speciaal willen zijn. Zijn overtuiging was oprecht en doorleefd en trok zich door in elke minuut van de dag.

Luc voelde heel sterk de onderlinge verbondenheid met alle wezens.

Hij had een speciale gave, om in alles en iedereen de boeddhanatuur te kunnen zien.

En dàt bedoel ik, wanneer ik daarnet zei dat ik heb ervaren dat verdriet ook heil kan zijn.

Ik heb zoveel verloren, en ik heb zoveel gekregen.

Het ene kun je niet los zien van het andere.

Na zijn dood ben ik op zoek gegaan naar wie Luc in essentie was.

En wanneer ik nu terugkijk, wanneer ik bedenk hoe angstig ik was om zonder Luc verder te groeien, dan merk ik tot mijn verbazing dat Luc met mij is meegegroeid.

Of beter: ik merk dat het beeld dat ik van Luc had met mij is meegegroeid.

De foto waar ik in het begin voortdurend voor ging staan, waar ik tegen praatte en dingen aan vroeg, is niet langer het meest dierbare beeld van Luc dat ik bij me draag. De herinneringen die diep in mijn hart leven hebben de tijd gekregen om zich te ontwikkelen en te groeien. En samen met de ervaringen die ik sedertdien heb opgedaan, de dingen die ik heb gelezen, geleerd en overdacht, vormen ze nu – als twee negatieven die over elkaar worden geplaatst en zo een dieptebeeld van de werkelijkheid geven – een veel mooiere en rijkere foto dan welke ook er ooit werd vastgelegd.

* * *

Zonder spijt, zonder verdriet of weemoed, kan ik nu het beeld van de man, de geliefde, de vader loslaten.

Zo lang ik leef zal ik Luc natuurlijk wel zo gedenken. Maar er is iets bijgekomen: nu kan ik Luc zien als een deel van de Ander-Kracht. Alle gaven die hij had, zijn inzichten en zijn overtuiging, zijn overgave aan Amida, zijn grote gevoeligheid en zijn mededogen, vloeien nu samen in de Ander-Kracht, maken er nu deel van uit en blijven werkzaam en heilzaam.

Niet meer voor mij alleen, niet meer voor ons alleen, maar voor àlle levende wezens.

Ik ben overtuigd dat het Reine Land de uiteindelijke bestemming was voor deze vrijgevochten, ruimdenkende mens. Dat dit de plaats is die hem toekomt.

En het is met veel warmte, veel liefde, veel dankbaarheid en respect dat ik Shitoku nazeg:

            In de armen van Amida Boeddha’s Grote Mededogen

            Zijt gij heengegaan naar het Bloemenland

            Hoe zalig glimlacht gij nu in mateloze vreugde.

            In de armen van Amida Boeddha’s Grote Mededogen

            zijt gij nu heengegaan naar het Paleis der Rijkdommen

            Hoe onzegbaar wonderbaar dat gij nu zelf de Mededogende

            Boeddha zijt!

Namu Amida Butsu.

Ekō 88

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

            home