Een parabel voor hier en nu
Myōkai Rutger Franck
‘De liefde voor alle wezens is de meest nobele eigenschap van de mens.’
(Charles Darwin)
Het volgende verhaal heb ik eigenlijk niet verzonnen. Ik heb het gehoord van Indra, de koning der goden.
Hij heeft me nooit toevertrouwd waaróm hij deze parabel aan mij kwijt wou. Ik kan er dus alleen maar naar gissen en me voorstellen dat híj wel wist waarom. Is een waarom overigens belangrijk? Is het de inhoud niet die belangrijk is?
Wanneer ik het verhaal hoorde? In een droom… althans, dat beeld ik me in, want ik weet niet meer of dat ‘s nachts of overdag was. Maar ook dit gegeven heeft geen belang. Trouwens: leven wij niet constant in een droomtoestand en zijn ál onze indrukken geen illusies van ons zelf?
Dat zal Indra ook wel weten, onderstel ik.
Ik vertel het jullie dus zoals het me toevertrouwd werd en zoals ik het me herinner.
En zo heb ik gehoord:
‘Eens, toen de dieren nog praatten - of misschien zelfs nog vroeger? - en de goden nog omgang hadden met de wezens, was er, in een van de samsarische vormenwerelden, een papegaai.
Op zekere dag, tijdens een van zijn verkennende rondvluchten, bemerkte hij een felle brand in een struikgewas waar ook andere dieren verbleven. Hij werd door deze gevaarlijke toestand zo aangegrepen dat hij besloot de dieren in het struikgewas uit hun hachelijke positie te bevrijden.
Hij deed dat met de beperkte mogelijkheden waarover een papegaai beschikt: hij dook in een nabijgelegen vijver en vloog telkens - op gevaar van zijn eigen leven - heen en weer tot over het brandende gewas en schudde dan de waterdruppels van zich af.
Indra, die vanuit zijn hemels bereik [3] , deze hopeloze toestand opmerkte en gadesloeg, vroeg de papegaai:
‘Je bent wel edelmoedig en dapper, maar wat denk je met die paar druppels water wel te verwezenlijken?’
Waarop de papegaai vastberaden antwoordde:
‘Niets is onmogelijk voor een attitude van mededogen en zelfopoffering. Ik blijf me inspannen, zelfs tot in mijn volgende leven.’
Indra was door deze mededogende woorden zo onder de indruk dat hij, samen met de papegaai, het vuur meteen doofde en alle dieren uit hun lijden bevrijdde.’
En nu, telkens ik die papegaai tegenkom, lees ik in zijn ogen weemoedigheid. Want de mensen, in hun onwetendheid, hebben hem vastgeketend. Hij is daarom diep bedroefd want hij kan de wezens niet meer ter hulp snellen.
En dat is heel erg voor een mededogende papegaai.
Ik kom dan voorzichtig heel dicht bij hem staan en praat met hem. Hij kijkt me dan met zijn mededogende ogen aan en ik hoor hem zeggen, zonder woorden:
‘Nu kan ik geen brand meer blussen; kun jíj mijn taak niet overnemen?’
In stilte, dankbaar voor zijn onderricht, buig ik dan lichtjes voorover en geef ik hem mijn geruststellend antwoord.
[3] het mythologische deva-chan, het zesde kāma- dhātu.
|
|
|
|
|
|
Ekō 89 |
|
© 2003 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |