René Van den Langenbergh
Onlangs werd een ere - gemeenteraadslid gehuldigd in de gemeenteraad, die zetelde van in het begin van de jaren tachtig tot halfweg de jaren negentig. De ironie van het lot wil nu dat mij daags nadien het bericht bereikte dat zij op de dag van haar huldiging overleden was ten gevolge van een slepende ziekte. Deze ziekte had haar genoodzaakt ontslag te nemen uit de gemeenteraad, uit de school waar ze tewerk gesteld was, en niet lang daarna werd zij opgenomen in een instelling. Ik heb met haar verschillende verkiezingscampagnes gevoerd, ik herinner mij bijvoorbeeld nog de eerste Europese verkiezingen toen we met een fietskaravaan rondfietsten om campagne te voeren. Een heel nauwe vriendin was ze niet, maar ik kende haar toch voldoende om het even moeilijk te hebben met haar overlijden. Toen ik dan hoorde dat ze overleden was, ging er een zucht van opluchting door me heen. Dit klinkt misschien cru, maar was dat uiteindelijk niet het beste wat haar kon overkomen? Ik bedoel dan: zowel voor haar als voor haar onmiddellijke omgeving. Zijzelf wist op het laatste niet meer wie ze was, ze wist niet meer waar ze was, en ze herkende haar vroegere vrienden niet meer. Dit moet voor haar familie, vrienden en kennissen verschrikkelijk geweest zijn. Ikzelf ben er nooit toe gekomen haar te gaan bezoeken, alhoewel ik haar echtgenoot beloofd had dit wel eens te doen. De reden hiervoor is dat ik haar wens te herinneren zoals ik ze gekend heb: snel, levendig, altijd in de weer voor de anderen, sportief, kortom een goed mens met een goed leven. Zo wou ik me haar herinneren, en zo zal ik me haar blijven herinneren. Dit kan misschien laf zijn, maar ik wou niet tussenkomen en binnendringen in haar besloten wereld, in haar lijdenswereld en in de lijdenswereld van haar familie en nauwste vrienden, die niet anders konden dan haar te blijven steunen tot het bittere einde. Ik heb daarvoor trouwens het grootste respect, en ik hoop van ganser harte dat ook mijn familie en nauwste vrienden mij zullen blijven steunen mocht het ooit zover komen dat ook ik slachtoffer wordt van zo’n vreselijke ziekte.
Waarom schrijf ik dit nu allemaal?
Het gaat hier over de kringloop van leven en dood, een zeer belangrijk begrip in het Boeddhisme. Het gaat hier ook over de lijdenswereld waarin we ons bevinden, een lijdenswereld die altijd en overal aanwezig is, of we dit nu willen of niet, of we het nu willen begrijpen of niet. De lijdenswereld waarin mijn collega zich bevond, en waarin vooral haar familie zich bevond vanaf het vaststellen van haar ziekte tot aan haar dood, is een gegeven dat ons allen vroeg of laat te wachten staat. Dit is een vaststaand gegeven in de boeddhistische leer, een gegeven waarmee we ten allen tijde rekening moeten houden. Naar aanleiding van dit overlijden leek het mij gepast om enkele uitspraken, spreuken en gezegden die in het Boeddhisme over leven en dood verschenen zijn, met U te delen. Het zijn allemaal Oosterse uitspraken, komende uit China, (Kyong Ho, Layman P’ang, Dongshan, Yang Chu), onze school (Shinran), het Zenboeddhisme, de Dhammapada enzovoort, maar de aandachtige lezer zal er zeker zijn nut uit kunnen halen:
* ‘Verlang niet naar volmaakte gezondheid, want daar zitten hebzucht en wil achter’;
* ‘Zonder naam en zonder vorm verlaat ik geboorte - en - dood’;
* ‘Op het geluk wachten is hetzelfde als op de dood wachten’;
* ‘Of je je leven lachend of huilend doorbrengt, je leven duurt even lang’.
* ‘Alle mensen gaan worstelend door het leven en laten zich door de dood van streek maken. Maar wat heeft het voor zin te treuren?’
* ‘Dat, waardoor alle wezens verschillend zijn, is het leven. Dat waarin ze gelijk zijn, is de dood.’
Geboorte in het Reine Land leidt tot de volkomen verlichting, bevrijd worden uit het karma van geboorte en dood en het nirvana realiseren. Geboorte is het ontwaken in het heden, waardoor we gegrepen worden door het grote mededogen van Amida, en niet meer losgelaten worden. Geboorte is het bekomen van de verlichting, bij het einde van ons leven, door de werking van Amida’s grote mededogen.
Ik zou willen eindigen met twee uitspraken van de historische Boeddha:
* ‘Het is gemakkelijk om geboren te worden, maar moeilijk om een mens te worden. De wijze is vrij van twijfel, de goedhartige is vrij van zorgen, de dappere is vrij van angst. Wie haat, is doof. Wie jaloers is, is blind. Wie kwaad is, is verlamd. Alleen wie liefheeft, heeft geen gebreken. Het leven is eindig, maar oneindig is de liefde. Liefde is de kracht die alle wezens leven geeft. Als iemand je beledigt, dan heb je hem niet genoeg liefgehad. Niet het geschenk is kostbaar, maar de liefde. Haat wordt niet door haat overwonnen, haat wordt door liefde overwonnen. Zo is van eeuwigheid de orde der dingen.’
* Zie hoe vergankelijk uw lichaam is. Een aangeklede pop, een speeltuig, geteisterd door ziekten en vol valse voorstellingen. Een schaduw die steeds van plaats verandert en wegvaagt. Het lichaam is kwetsbaar. Het is zwak, een broedplaats van ziekte, het kwijnt weg en sterft. Zoals elk levend wezen is het gedoemd af te takelen en te sterven. U bent een huis van botten, bepleisterd met vlees en bloed, waarin aftakeling, ontbinding, list en bedrog het voor het zeggen hebben. Het lichaam zal tot stof vergaan. Alleen het zuivere is onvergankelijk, het zuivere houdt het zuivere in stand. Nu sta ik oog in oog met u, ik heb de balken gebroken, de nokbalk is omlaag gestort, begeerte uitgebannen. Mijn geest is nu eindelijk vrij.’
Laat ons allen indachtig zijn wat deze woorden voor wijsheid bevatten!
Namu Amida Butsu!
|
|
|
|
|
|
Ekō 89 |
|
© 2003 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |